Wat hebben rellen in Parijs, een Surinaams eettentje en een luxe koffiebar in de bovenste etage van de Stopera (het stadhuis van Amsterdam) met elkaar te maken? Alles, aldus bijzonder hoogleraar Femke Kaulingfreks. In haar werk laat de politiek filosoof en antropoloog treffend zien hoe het in onze samenleving steeds weer gaat over de vragen: wie wordt gehoord, wie heeft toegang en welke ervaringen tellen mee? Haar pleidooi richting beleidsambtenaren: als je écht goed beleid wilt maken, dan kan het niet anders dan dat je de wereld wil (zelfs moet) leren kennen van de mensen voor wie je beleid maakt.

Beeld: © Anja Robertus

Femke Kaulingfreks: ‘En stel de koffiecorner van de wethouders eens open voor de mensen die beneden hun broodje halen.’

Auteur: Ton Baetens

De koffie is net ingeschonken. De beide katten bewonderd. Voor het interview goed en wel op gang is, komen de recente protesten en rellen in Parijs ter sprake. Vanwege haar boek Straatpolitiek - over het politieke engagement van jongeren buiten het traditionele stemhokje en de politieke partijen om, is het een logische opener. Hoe kijkt Kaulingfreks nu naar Frankrijk? Naar sociaal protest, dat ook uit de hand loopt? Ze aarzelt. Ze heeft de gebeurtenissen niet nauwgezet genoeg gevolgd om er een echt uitgewerkt oordeel over te geven, zegt ze meteen.

Wel herkent ze een patroon dat haar al veel langer bezighoudt: ‘Mijn proefschrift ging over openbare ordeverstoringen en de politieke betekenis daarvan. Dus ik kijk al heel lang naar dergelijke fenomenen. En ik heb in Frankrijk en ook in de buitenwijken van Parijs veel onderzoek gedaan. Ik heb veel gelezen en gezien hoe het in Frankrijk eraan toegaat. Dan zie je wel een terugkerend patroon.’

Een protest van, in dit geval, jongeren over de kwaliteit van onderwijs, over het gebrek aan betaalbare huisvesting, werk en vooral ook, hun gebrek aan invloed. Zij ervaren niet dat de formele politiek er voor hen is. Soms zijn ze nog te jong om te mogen stemmen. Dus laten ze van zich horen door de straat op te gaan. De protesten groeien en lopen op een gegeven moment uit de hand. Daarop volgt een repressieve reactie. De rust keert terug. Maar die onvrede, die blijft bestaan.

"Je moet je afvragen waar die woede vandaan komt"

Wat vertellen jongeren die zich buiten de gebruikelijke politieke kanalen uiten? En waarom horen we zo weinig van dat achterliggende verhaal in het nieuws? Wat moeten we dan wel doen? ‘Je zou je vooral moeten afvragen wat deze jongeren nou beweegt. Je afvragen wat hun verhaal is, wat hun ervaring is. Kortom, je afvragen waar die woede vandaan komt. En hoe de jongeren dit zelf bekijken.’ Dat is de nieuwsgierigheid die zij soms mist in een journalistiek en maatschappelijk debat dat al (te) snel draait om ingegooide ruiten, om geweld en het leegroven van winkels. Stemmen van politici en duiders krijgen volop ruimte. Stemmen van de jongeren zelf veel minder.

‘Let op!’, zegt ze. Daarmee is iedere relschopper nog geen politieke activist. ‘Er zijn ook altijd mensen die helemaal geen intentionele politieke motieven hebben, maar gewoon uit zijn op spanning.’ Maar dat ontslaat ons niet van de plicht om nu juist te blijven onderzoeken wat er onder de woede zit. In de wetenschap dat verschillende motieven door elkaar heen lopen. Sommige jongeren maken zich zorgen over hun precaire sociaal-economische situatie. Anderen hebben genoeg van alledaags onrecht in relatie tot de politie. En weer anderen voelen zich überhaupt niet serieus genomen of beschermd door de overheid. Dus moet je contact blijven zoeken met de groepen die die woede uiten. Alleen hard optreden tegen ‘wanorde’ neemt de oorzaken niet weg. Dergelijke grootstedelijke vraagstukken zijn daarmee niet in een klap opgelost.

Amsterdam van onderaf bekeken. Als bijzonder hoogleraar op de Wibautleerstoel houdt Kaulingfreks zich nu vooral bezig met de stedelijke vraagstukken van Amsterdam. Ze onderzoekt hoe bewoners, maatschappelijke organisaties en overheid zich tot elkaar verhouden. Veel van haar onderzoek en veldwerk speelt zich af in Zuidoost, Nieuw-West en Noord. Ze zoekt bewoners op en kijkt vanuit hun dagelijks leven naar de werking van instituties.

Die blik is ook persoonlijk, zo vertelt ze. ‘Deze stad heeft mij gevormd. En ik kan niet anders dan met die bril kijken naar de stad.’ Ze groeide op in Amsterdam en woonde als puber in De Pijp, met weinig geld en een vriendenkring waarin mensen met én zonder verblijfsstatus elkaar hielpen. De informele netwerken die zij onder andere nu onderzoekt, kende ze al voordat ze wetenschapper werd.

"Deze stad heeft mij gevormd. En ik kan niet anders dan met die bril kijken naar de stad"

In haar gesprekken met bewoners hoort ze veel verhalen over verlies. Over hoe het buurthuis verdween. Hoe die mooie plek waar jongeren gratis konden sporten én hulp kregen bij hun huiswerk, sloot. Hoe de gezamenlijke lunch voor en met ouderen in de multifunctionele accommodatie ermee ophield. Kaulingfreks ziet een stad die aan de ene kant steeds welvarender wordt. Maar ook een stad, die zijn rug een beetje keert naar de mensen die haar juist draaiende houden. Want een belangrijk deel van de Amsterdammers kan niet of nauwelijks profiteren van die groeiende welvaart. Als je die bloeiende, welvarende stad alleen vanuit een kantoor bekijkt, dan mis je gemakkelijk wat zulke veranderingen in het dagelijkse leven van schoonmakers, maaltijdbezorgers, thuiszorgmedewerkers en kinderopvangmedewerkers betekenen.

Hoe dicht die werelden op elkaar kunnen leven zonder elkaar echt te raken, vertelt ze aan de hand van de Surinaamse broodjeszaak onder de Stopera. Kaulingfreks legt uit: in de metrohal onder het Amsterdamse stadhuis zit de Hapjeshoek, een Surinaams eettentje. ‘Als je daar gaat lunchen, zie je gewoon de hele stad aan je voorbijtrekken.’ Ook veel ambtenaren die erboven (in de Stopera) werken, komen er.

Als je dan de metrotrappen opgaat, kom je op de begane grond, bij de publieksbalie van de gemeente, waar Amsterdammers hun paspoort aanvragen. Een plek die voor iedereen toegankelijk is. Daarboven liggen de ambtelijke kantoren. Afgeschermd met een pasje. En daar weer boven bevindt zich de bestuursvleugel. Die alleen met een speciaal pasje toegankelijk is. ‘In die vleugel waan je je in een hotellobby, compleet met barista en goede koffie’, vertelt Kaulingfreks.

‘Wat een bizarre ruimtelijke segregatie’, dacht ze. Beneden komt de hele stad bijeen; boven zitten degenen die over die stad besluiten. Hoe verder je naar boven gaat, hoe selectiever het gezelschap wordt.

Het bracht haar op een gedachte-experiment: ‘Wat zou er nou gebeuren als we dit zouden omdraaien?’ Laat de burgemeester eens wekelijks bij de Hapjeshoek lunchen. En stel de koffiecorner bij de wethouders diezelfde dag open voor de mensen die beneden hun broodje halen. Welke gesprekken zouden dan ontstaan?’

"Wat een bizarre ruimtelijke segregatie. Laat de burgemeester eens wekelijks bij de Hapjeshoek lunchen"

Ze weet terdege dat er ambtenaren zijn die bewoners opzoeken, bij de voedselbank helpen of in een buurthuis tijd doorbrengen. In haar onderzoek ziet ze dat zulke ontmoetingen onderlinge relaties veranderen. En dat die opgedane inzichten daadwerkelijk doorwerken in de beleidsstukken die ambtenaren schrijven. Het is absoluut geen kommer en kwel, wil ze maar zeggen. Maar daarvoor moeten ambtenaren wel echt de ruimte krijgen. Hoe lastig dat misschien ook in een urenstaat te vangen is. Ze worden bovendien nog niet altijd uitgenodigd om hun eigen ervaringskennis (regelmatig zijn ze zelf bewoner van de stad) actief in te zetten in hun werk.

Het belang van tussenpersonen en tussenruimte. In die ontmoetingen spelen tussenpersonen een cruciale rol. Daarmee doelt Kaulingfreks bijvoorbeeld op de opbouwwerkers, op de jongerenwerkers en vooral ook op de informele sleutelfiguren in de stad. Mensen die andere bewoners kennen én de weg weten naar de instituties. Je rol als tussenpersoon vervullen begint eigenlijk heel eenvoudig: ‘Wat ik doe is gewoon tijd doorbrengen met mensen’, hoort Kaulingfreks van mensen die zij interviewt.

Waarbij het logische vertrekpunt de vraag is: ‘wat wil jij?’ Want, zo leert de ervaring, zo ontstaat een ander gesprek dan wanneer je ‘vanuit een hulpvraag’ je problemen moet uitleggen. Om vervolgens te horen te krijgen welke hulp daarbij past. In het ene geval wil je de wereld van mensen in het dagelijkse leven echt begrijpen en ga je uit van hun visie en verlangens. Je wilt je verdiepen in hun wensen en ontwikkelingsmogelijkheden. In het andere geval verleen je hulp vanuit de aanname dat mensen sowieso met gebreken en achterstanden te maken hebben. Maar lost die niet altijd het werkelijke (onderliggende) probleem op.

Tussenpersonen zijn vaardig in het achterhalen van de ‘vraag achter de vraag’. Of liever: achterhalen wat iemand wél wil. En zo kunnen ze helpen om aan de hand van dat ‘willen’ een stap in de juiste richting te zetten. Maar, zegt Kaulingfreks: daar gaat iets aan vooraf, wat in een taakomschrijving lastig te vangen is: namelijk: Aanwezig zijn, mensen echt leren kennen, vertrouwen opbouwen.’

"De bibliotheek is een van de weinige plekken waar je gewoon mag zijn, zonder dat er iets hoeft"

De kracht van plekken waar je ‘zo maar’ mag zijn. Daar zijn ook ruimtes voor nodig waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. De bibliotheek is voor Kaulingfreks zo’n sprekend voorbeeld van een fysieke, stedelijke tussenruimte. Een plek waar iedereen naar binnen mag. Haar man werkt er. En met haar gezin komt ze er vaak. In de bibliotheek zie je (bijna) de hele samenleving. Pubers, ouderen, mensen zonder woning, soms ook bezoekers met verward gedrag. Hoe dan ook: ‘Ze treffen er elkaar. Je kunt er lezen, werken, hangen, naar het toilet of soms een gratis kop koffie of thee krijgen.’

‘Het is een van de weinige plekken waar je gewoon mag zijn, zonder dat er iets hoeft, en zonder dat je iets moet consumeren. Je mag ook andere mensen meenemen. En je kan blijven zo lang als je wil.’ Dat welkom zijn is een bewuste werkwijze, benadrukt ze. Ook als bezoekers zich lastig gedragen, ziet ze medewerkers respectvol met hen omgaan.

Tegelijkertijd komen er op die manier sociale zorgen op de schouders van bibliotheekmedewerkers terecht waarvoor zij niet zijn opgeleid. Soms gaat het ook om ernstige problemen. Of ontstaan er conflicten. Precies daar begint volgens Kaulingfreks de verantwoordelijkheid van de overheid. Een toegankelijke bibliotheek kan veel betekenen, maar heeft ondersteuning nodig, als bezoekers zorg nodig hebben.

"Opgroeien met weinig geld levert ook kennis en vaardigheden op, die vanuit een comfortabeler bestaan gemakkelijk onzichtbaar blijven"

Wel toegang en toch een drempel.  Waarom zij die tussenposities zo goed herkent, wordt duidelijk als Kaulingfreks over haar familie vertelt. Haar moeder studeerde toen zij klein was. Ze herinnert zich het schrijven aan de scriptie en het verblijf bij haar grootouders. Haar opa kwam uit een arbeidersmilieu. Had in de haven gewerkt. Maar was net zo goed ‘een autodidact met een huis vol boeken.’

Studeren was thuis de vanzelfsprekende ambitie. ‘Jij bent slim, dus jij moet naar de universiteit’, was de boodschap. Het gymnasium, de klassieke verhalen, een universitaire opleiding: ze werd ertoe aangemoedigd. Ze groeide op ‘met heel veel intellectueel kapitaal, maar niet het sociale kapitaal wat daarbij hoort’.

Ook als bijzonder hoogleraar kan ze zich op de universiteit nog ongemakkelijk voelen. Die drempel is (een beetje) gebleven. Ze wil maar zeggen: toegang krijgen tot een instituut vraagt om meer dan een diploma of een benoeming. Je moet ook leren hoe je er te bewegen. Zelf kan Kaulingfreks inmiddels tussen verschillende werelden schakelen. Ze ervaart dat als rijkdom. En ook een beetje als strijd: waar hoor je nu echt thuis? Maar vooral als een drijvende kracht voor haar onderzoek: ‘Je kunt er ook veel mee inzichtelijk maken. Omdat een ander misschien niet vanuit beide perspectieven kan kijken.’

Vanuit wiens wereld kijken we? Die dubbele blik neemt ze mee, als ze nadenkt over het opgroeien in buurten die in beleid al (te) snel als ‘moeilijk’ of ’kwetsbaar’ worden aangeduid. Dankzij haar eigen jeugd is ze haast vanzelfsprekend vertrouwd ‘met de straat en met informele netwerken’. Van die netwerken leerde ze dat opgroeien met weinig geld ook kennis en vaardigheden oplevert, die vanuit een comfortabeler bestaan gemakkelijk onzichtbaar blijven. ‘Je bent niet je achterstand’, zegt ze.

Voor beleidsambtenaren vraagt dat om onderzoek naar hun eigen referentiekader. Kaulingfreks noemt daarbij het beleidsvoorbeeld van ‘de auto’.  Als je als huishouden met een elektrische bakfiets kijkt, kan die auto vooral een probleem lijken. Voor andere bewoners is diezelfde auto juist nodig om familie eten te brengen. Of om boodschappen te doen. Of mantelzorg te geven. Wie geen zicht heeft op het achterliggende verhaal, kan met een beleidsmaatregel (bij wijze van spreken) onbedoeld een informeel zorgnetwerk raken. De oproep van Kaulingfreks: investeer vóór je besluiten neemt, in lokale kennis en relaties met bewoners. Stel dan de vraag die ook haar tussenpersonen altijd stellen: ‘Wat wil jij?’