Een maatschappelijk goed idee past niet automatisch in een gemeentelijk proces. Zodra een bewonersinitiatief een vergunning, subsidie, grond of simpelweg bestuurlijk commitment nodig heeft, raken twee werelden elkaar. Als gemeentelijk verbinder Tussenheid probeert Wilma Castelijns die werelden in Hilvarenbeek bij elkaar te brengen. ‘Soms betekent dat vooral verbinden, soms ook trekken en sleuren – vooral bij initiatieven die nergens netjes binnen passen.’

Beeld: © Eigen beheer

Wilma Castelijns: ‘Samen met Tussenheid ontwikkelt de gemeente wegwijsprogramma’s voor initiatieven in contact met de overheid én binnenkort ook voor ambtenaren in de samenwerking met buiten.’

Auteur: Joris Jenster

Neem de Aziatische hoornaar. De plaatselijke imkervereniging van Hilvarenbeek wilde het invasieve insect bestrijden, omdat het bijen eet en daarmee ook de biodiversiteit bedreigt. Een plan waar binnen de gemeente eigenlijk niemand op tegen was. Alleen: er was geen budget, geen bestaande subsidieregeling en geen ambtenaar bij wie het vraagstuk vanzelfsprekend thuishoorde. ‘Iedereen vond het eigenlijk een supergoed idee’, vertelt Wilma Castelijns. ‘Maar het paste niet in een proces dat er al is.’

Castelijns ging met de bestrijding van de Aziatische hoornaar ‘winkelen’ binnen het gemeentehuis. Er moest budget worden gevonden, een beleidsadviseur moest het initiatief verbinden aan gemeentelijke doelen en de imkervereniging moest door de formele subsidieprocedure worden geholpen. Van buitenaf leek dat een betrekkelijk eenvoudige vraag, maar binnen de organisatie vroeg dat behoorlijk wat organisatiekracht. En juist daar zit haar rol als gemeentelijk verbinder voor Tussenheid: initiatieven die iets van de gemeente nodig hebben op de juiste plek laten landen en vervolgens zorgen dat ze daar niet blijven liggen.

Voor Castelijns past dat bij een overtuiging die ze al veel langer heeft. Na ruim vijfentwintig jaar werken binnen verschillende gemeenten weet ze hoe verleidelijk het is beleid vanachter een bureau te organiseren. Zelf zoekt ze liever de buitenwereld op. ‘De waarheid ligt op straat’, zegt ze. ‘Daar zitten ideeën en kennis die je als gemeente zelf niet zomaar bedenkt.’ De kunst is volgens haar daarom niet alleen om inwoners wegwijs te maken in de overheid, maar ook om de overheid te leren beter met die buitenwereld samen te werken.

Waarom is er naast Tussenheid een gemeentelijk verbinder nodig?

‘Laat ik vooropstellen: Tussenheid (zie ons eerdere verhaal over deze stichting, red.) doet veel meer dan de verbinding leggen met de gemeente. Er zijn genoeg initiatieven die de gemeente helemaal niet nodig hebben. Maar zodra er een subsidie, vergunning, ruimte of iets anders van de gemeente nodig is, zie je dat initiatiefnemers soms van het kastje naar de muur worden gestuurd. Sommige mensen kennen de gemeentelijke wereld heel goed. Die weten welke bestuurder of beleidsadviseur ze moeten hebben. Maar er zijn ook mensen die één keer met een wethouder hebben gesproken en denken dat hun initiatief daarna vanzelf de organisatie ingaat. Zo werkt het natuurlijk niet.

Ik zit vanuit de gemeente bij het werkteam van Tussenheid. Daar komen veel initiatieven voorbij. En als ergens een gemeentelijke component in zit en het niet vanzelf loopt, neem ik het mee naar het gemeentehuis. Dan probeer ik de initiatiefnemer aan de juiste beleidsadviseur te koppelen. En eerlijk gezegd betekent het daarna regelmatig ook trekken, sleuren en erachteraan blijven gaan.’

"Niet dat mensen het een slecht idee vinden, maar dat het voelt als iets wat erbovenop komt"

Waarom is dat trekken en sleuren nodig?

‘Vooral omdat nieuwe initiatieven niet altijd passen binnen processen die de gemeente al heeft.

Als iemand een vergunning aanvraagt, is het ook niet altijd makkelijk, maar er ligt wel een duidelijke procedure. Hetzelfde geldt voor een gewone subsidieaanvraag. Dan weet je ongeveer welke stappen je moet zetten.

Bij zoiets als die Aziatische hoornaar was dat anders. Iedereen zag de meerwaarde, maar niemand had er vanzelfsprekend budget voor en het viel niet netjes onder één bestaande regeling. Dan moet je eigenlijk eerst het proces organiseren waarlangs zo’n initiatief mogelijk kan worden. Dat is vaak het ingewikkeldste: niet dat mensen het een slecht idee vinden, maar dat het voelt als iets wat erbovenop komt. Het heeft niet automatisch een eigenaar, terwijl verschillende mensen er wel iets mee moeten doen. Uiteindelijk is het wel gelukt: er kwam geld vrij en de imkervereniging kreeg subsidie. Maar voor iets waar eigenlijk iedereen vóór was, heeft dat behoorlijk wat trek- en sleurwerk gekost.’

Zit het probleem dan vooral in gemeentelijke procedures, of ook in de houding van ambtenaren?

‘Je hebt verschillende typen ambtenaren. Sommigen staan vanuit hun functie al behoorlijk met hun voeten in de praktijk. Daar gaat dit meestal wel goed. Maar er is ook een groep – veelal beleidsmakers – voor wie samenwerken met de buitenwereld minder vanzelfsprekend is. Soms vinden mensen dat spannend, soms zijn ze het gewoon niet gewend. Daar moet het besef groeien dat samenwerking twee kanten op werkt. De buitenwereld kan helpen om dingen die de gemeente zelf wil, beter te laten landen. En andersom kan de gemeente initiatieven uit de samenleving net wat makkelijker uitvoerbaar maken.

Tegelijkertijd snap ik ook waar de weerstand vandaan komt. Door Tussenheid komen er misschien initiatieven binnen die we anders niet hadden gezien. Vanuit de gemeentelijke organisatie kan dat in eerste instantie voelen als “extra” werk. En in directe zin is dat het soms ook. Als een scouting een preventieve bijdrage levert aan het welzijn van kinderen, betekent dat niet dat de beleidsadviseur jeugdzorg morgen minder werk heeft. De maatschappelijke opbrengst kan er wel zijn, maar die zie je niet altijd onmiddellijk terug in je eigen werkvoorraad.’

"Door Tussenheid komen er initiatieven binnen die de gemeente anders niet had gezien"

Jij vervult in die zin de rol van ‘oliemannetje’. Maar hoe voorkom je dat dit soort samenwerking afhankelijk blijft van één persoon?

‘Dat is denk ik de volgende stap. Ik doe dit nu bij individuele initiatieven, vooral wanneer die ergens knellen in de gemeentelijke organisatie. Dus kun je inderdaad zeggen dat ik als een soort oliemannetje probeer zo’n obstakel weg te nemen. Maar uiteindelijk moet je dat breder in de organisatie beleggen. Daarom ontwikkelen we samen met Tussenheid wegwijsprogramma’s. Voor collectieve initiatieven beginnen we met de vraag: waar loop je nu tegenaan als je met de gemeente samenwerkt? Kun je de juiste contactpersoon vinden? Weet je welke procedure je nodig hebt? Of word je van het kastje naar de muur gestuurd?

Daarna willen we die beweging nadrukkelijk ook andersom maken, voor ambtenaren. Waar lopen zij tegenaan in de samenwerking met buiten? En misschien nog belangrijker: waar kan die buitenwereld hén helpen? Idealiter breng je die twee uiteindelijk ook bij elkaar. Dan wordt het niet meer: wij leggen inwoners uit hoe de gemeente werkt. Dan leer je over en weer hoe je beter kunt samenwerken.’

Wat vraagt dat van de gemeente zonder dat zij het initiatief zelf overneemt?

‘Bovenal gaat het om de bereidheid om te luisteren naar initiatiefnemers en de wil om ze te ondersteunen binnen de gegeven kaders. De initiatiefnemer blijft eigenaar. Daar zijn we heel strikt in. Tussenheid gaat geen subsidieaanvraag voor iemand schrijven en de gemeente gaat het initiatief ook niet overnemen. Soms zit ik samen met de initiatiefnemer en de verbinder van Tussenheid aan tafel. Dan kijken we heel precies: wat hoort bij de initiatiefnemer, wat kan Tussenheid betekenen en waar is de gemeente aan zet?

Een gemeentelijk besluit is vaak maar een klein onderdeel van het geheel. Als jij een festival wilt organiseren, gaat de gemeente niet over de vraag óf jij dat festival moet willen. Maar zodra je een evenementenvergunning nodig hebt of een weg wilt afsluiten, heeft de gemeente wél een verantwoordelijkheid.

Hetzelfde geldt voor subsidie of gemeentelijke grond. De gemeente gaat dus niet over het initiatief zelf, maar soms wel over de randvoorwaarden die nodig zijn om het mogelijk te maken.’

"Je moet als gemeente niet alleen naar buiten kijken, maar ook begrijpen hoe die buitenwereld naar jou kijkt"

Dat kan net zo goed een heikel punt vormen, nietwaar?

‘Zeker. We hebben bijvoorbeeld een initiatief rond een levensboom, een monument dat voortkomt uit een jaarlijks evenement waarmee veel geld voor kankeronderzoek is ingezameld. De initiatiefnemers regelen die boom helemaal zelf. Ze vragen geen subsidie en hebben voor het initiatief zelf geen vergunning nodig. Het enige wat ze van de gemeente vragen, is een plek op gemeentegrond. En daar kun je vervolgens een halfjaar over praten. Over iedere plek vindt wel iemand iets.

Daarnaast hebben gemeenten ook gewoon te maken met ervaringen uit het verleden. Er zijn ooit dingen op gemeentegrond geplaatst waarna wij jaren later ineens voor het onderhoud verantwoordelijk bleken. Zo’n ervaring gaat bij een nieuw initiatief meteen weer meespelen. Terwijl je dat ook anders kunt organiseren. Je kunt afspraken vastleggen over onderhoud en over wat er gebeurt als de gemeente die grond later nodig heeft. Dat initiatief vraagt dus eigenlijk alleen maar commitment. Maar juist daarom moet je als organisatie soms over je eerste ‘wij zijn verantwoordelijk’-reflex heen stappen.’

Wanneer is ruimte maken een vorm van maatwerk, en wanneer dreigt iets willekeur te worden?

‘Dat is een lastige grens. Je hoort binnen gemeenten natuurlijk vaak: we moeten iedereen gelijk behandelen en we mogen geen precedenten scheppen. Dat is terecht. Maar tegelijkertijd zijn er maar weinig situaties exact gelijk.

Soms is maatwerk gewoon nodig. Voor mij betekent dat niet dat je regels aan de kant schuift. Je moet kunnen uitleggen waarom je in een specifieke situatie iets doet, en uiteindelijk moet het juridisch en technisch gewoon kloppen. Maar je hoeft ook niet bij iedere vraag als eerste in het systeem en de procedurele houding te schieten. Je kunt eerst kijken: wat ligt hier eigenlijk voor? Welk maatschappelijk doel wordt ermee gediend? En is er binnen de regels ruimte om daar iets mee mogelijk te maken? Dat vraagt dat je als gemeente niet alleen naar buiten kijkt, maar ook probeert te begrijpen hoe die buitenwereld naar jóu kijkt.’

Heeft de samenwerking met Tussenheid jouw beeld van de rol van de gemeente veranderd?

‘Eigenlijk niet. Ik denk dat ik juist voor deze functie ben gevraagd omdat ik al zo naar de gemeenschap keek. Een gemeente moet naar buiten kijken. Niet alleen om inwoners te vertellen wat wij nodig hebben, maar ook om te zien wat daar al gebeurt en welke kansen daar liggen. De moeilijkheid is dat zelfs ambtenaren die heel erg naar buiten gericht werken, soms opnieuw gevangen raken zodra ze met zo’n initiatief terugkomen in de gemeentelijke organisatie.

Daar zit voor mij de echte opgave. Niet ieder initiatief hoeft mogelijk gemaakt te worden en niet ieder idee is automatisch goed. Maar als iets maatschappelijke waarde heeft, moet je voorkomen dat het alleen strandt omdat wij er toevallig nog geen proces voor hebben bedacht.’