In het woud van organisaties die een brug (proberen te) slaan tussen overheid en inwoner, is Tussenheid Hilvarenbeek best uniek. Geen overheid, geen bewonersinitiatief, maar – inderdaad – iets ertussen in. Tussenheid biedt zakelijke dienstverlening waarmee initiatieven vanuit de gemeenschap kunnen slagen. Het is een onafhankelijke, professioneel werkende stichting die beleidsdomeinen erkent, maar ze vervolgens graag overstijgt. Een structurele partner voor zowel bewoners als gemeente, bewust slechts in deze ene gemeente actief. Het ministerie van BZK, bezig om obstakels voor maatschappelijke initiatieven weg te nemen, zoals financiering, regeldruk en verkokering, onderzoekt hoe het gaat in Hilvarenbeek. Oprichter Wiet van Meel: 'Dit model is overdraagbaar, daarvan zijn we overtuigd.'

Beeld: © Tussenheid Hilvarenbeek / Tussenheid
‘Eens in de vier maanden hebben we een collectief overleg waar vijftig tot zestig clubs bij elkaar zijn, aangevuld met onze eigen stuurgroep en het lokale gemeentebestuur.’
Auteur: Joris Jenster
Een mooi voorbeeld, zegt oprichter Wiet van Meel, is de kerk in Esbeek, een van de dorpen in de Brabantse gemeente Hilvarenbeek. ‘Die kwam leeg te staan maar het dorp wilde haar behouden. De gemeente zei aanvankelijk: dit is een particulier probleem, daar doen we niets aan. Toen hebben we zelf met lokale initiatiefnemers en externe partijen een goed bestemmings- business- en financieringsplan ontwikkeld waarin verschillende functies samenkwamen, zoals onderwijs en kinderopvang. Het project is uiteindelijk bekend geworden als Samenwijs.
Op een gegeven moment zag de gemeente dat het een aantrekkelijk en haalbaar plan was en heeft zij het project overgenomen. Prima. Toen was ons werk klaar. Je kunt zeggen dat we de gemeente wakker hebben geschud, maar zo kijk ik er niet naar. We hebben gewoon een goed plan gemaakt. En als zij het uiteindelijk willen uitvoeren, hoeven wij het niet zelf te doen. Prima!’
Aanvankelijk onmogelijk
De ‘wij’ in dit geval is Tussenheid Hilvarenbeek – de in 2014 opgerichte stichting die met inwoners meedenkt en meebouwt aan uiteenlopende bewonersinitiatieven. Tussenheid is de verbindende schakel tussen burgers, overheid en maatschappelijke organisaties.
Dat verbinden zat er bij Van Meel al vroeg in. Hij was een jaar of zestien toen hij met anderen een groot popfestival organiseerde op het Vrijthof in Hilvarenbeek. Tienduizenden bezoekers kwamen erop af. Die ervaring zou een terugkerend motief in zijn loopbaan worden: samen blijken mensen dingen voor elkaar te krijgen die aanvankelijk onmogelijk lijken en dat is leuk. ‘Ik heb nooit iets echt alleen gedaan.’
Tijdens zijn rechtenstudie belandde Van Meel in de sociale rechtshulp in Tilburg. In de jaren waarin de textielindustrie er instortte, hielp hij vervolgens mee aan een praktijk die werklozen ondersteunde om voor zichzelf te beginnen. Later hield hij zich bezig met regionale en economische ontwikkeling. De schaal veranderde, de rol bleef vergelijkbaar. ‘Vanuit een onafhankelijke positie instrumenten ontwikkelen waarmee anderen verder kunnen, dat doe ik het liefst. Eigenlijk is het een soort emancipatie.’
Die manier van denken kreeg uiteindelijk opnieuw vorm in zijn geboortestreek. Hilvarenbeek kende al veel actieve verenigingen, stichtingen en bewoners die zelf plannen realiseerden. Maar niet altijd bleek dat enthousiasme genoeg. Een inventarisatie onder lokale organisaties bracht telkens dezelfde behoeften naar voren: geld, menskracht, communicatie, strategisch denken en de weg kunnen vinden binnen de overheid. Tussenheid groeide de afgelopen twaalf jaar uit tot een onafhankelijke professionele ondersteuningsstructuur rondom precies die vragen.
Waarom is de Tussenheid nodig?
‘Wij deden in Hilvarenbeek eigenlijk altijd al dingen waarvan anderen zeiden: dat kan niet. Een jaar of twintig geleden ging in een van de dorpen het laatste café dicht. Toen zeiden we: dat café moet blijven, dus we gaan het gewoon kopen. Mensen zeiden: dat kan niet. Maar we haalden geld op met obligaties, richtten een coöperatie op en konden daarmee aanvullende financiering organiseren en uiteindelijk kon het dus wél.
Andere mensen zagen dat en dachten: dat kunnen wij ook. Zo gebeurde dat op allerlei terreinen. Op een gegeven moment zijn we eens gaan kijken wat we nu eigenlijk aan het doen waren. Uit gegevens van de Kamer van Koophandel bleek dat we in zes kernen met ongeveer 16.000 inwoners zo’n vijfhonderd stichtingen en verenigingen hadden.
De dragers van die organisaties hebben we vervolgens gevraagd waar ze tegenaan liepen. Daar kwamen vijf dingen uit: geld, menskracht, communicatie, strategisch denken en de weg vinden binnen de overheid. Voor die vijf dingen zijn we onafhankelijke professionele dienstverlening gaan organiseren. Eerst vrijwillig, maar dat liep uit de klauwen. Toen zijn we stap voor stap mensen gaan inhuren. Als je mij vraagt wat we daarmee doen, is het antwoord eigenlijk heel eenvoudig: wij versterken het organiserend vermogen van de gemeenschap.’
‘Het is helemaal niet de opdracht van een gemeente om zakelijke dienstverlening te bieden aan een initiatiefnemer’
Wat maakt die ondersteuning anders dan bijvoorbeeld een gemeentelijk participatieloket?
‘De kern zit voor mij in die vijf vormen van onafhankelijke dienstverlening. Die proberen wij zo professioneel mogelijk neer te zetten. Een gemeente heeft een heel andere positie. Zij moet vergunningen verlenen, regelgeving toepassen en het algemeen belang bewaken. Als iemand iets wil waarvoor een vergunning nodig is, is de gemeente dus ook een partij. Dat leidt vanzelf tot een andere cultuur en een andere vorm van dienstverlening.
Begrijp me niet verkeerd, ik vind dat ook logisch. Het is helemaal niet de opdracht van een gemeente om zakelijke dienstverlening te bieden aan een initiatiefnemer. Tussenheid kan juist wél een onafhankelijke positie innemen. Wij kunnen naast zo’n initiatief gaan staan en kijken: wat heb je nodig om zelf verder te komen?’
‘In alles wat je onderneemt tref je verschillende werelden – ik zie die verkokering niet als een probleem’
Het verduurzamingsmodel dat jullie ontwikkelden noem je ‘het begin van alles’. Waarom?
‘In bijna alles wat je onderneemt tref je verschillende omgevingen: de ruimtelijke, de economische en de maatschappelijke omgeving. Die hebben ieder hun eigen taal, cultuur en manier van denken. Je kunt ze zien als kokers met behoorlijk dikke wanden. Het verduurzamingsmodel helpt initiatiefnemers om daar bewust van te worden.
Ik zie verkokering overigens niet alleen als een probleem. Het kan juist een hulpmiddel zijn. Als je ziet vanuit welke koker je zelf redeneert, kun je ook gaan kijken welke omgevingen je dus mist. Bij een initiatief duiken we daarom niet alleen in het plan, maar ook in de persoon en zijn omgeving. Pak je agenda er maar eens bij en kijk wie je allemaal kent. Zet die mensen vervolgens in die verschillende omgevingen. Dan ontdekken mensen vaak dat hun netwerk al veel breder is dan ze zelf denken.
Op die manier blijft het bovendien geen theoretisch model, maar is het een ontwikkelingsinstrument. Je maakt zichtbaar welke kennis, contacten en invalshoeken je nog kunt toevoegen aan je initiatief.’
Hoe breng je die verschillende omgevingen vervolgens daadwerkelijk bij elkaar?
‘Daarvoor hebben we ongeveer vijfentwintig jaar geleden CIMBY ontwikkeld: Certainly In My Backyard, als tegenhanger van het welbekende Not In My Backyard. We beginnen bij het netwerk van een initiatiefnemer. Daaruit selecteren we mensen op zo’n manier dat de verschillende omgevingen uit het verduurzamingsmodel vertegenwoordigd zijn. Vervolgens zet je die mensen bij elkaar om heel gericht na te denken over een concrete uitdaging.’
'Als je initiatieven serieus wilt ondersteunen, moet je je eigen ondersteuning ook goed organiseren’
Een benadering van ‘Whole system in the room’ dus?
‘Zo ongeveer, ja. Neem de scouting in Hilvarenbeek. Die denkt misschien in eerste instantie dat haar netwerk vooral in de sociaal-maatschappelijke wereld zit. Maar binnen dat netwerk zit bijvoorbeeld ook een landschapsarchitect. Die kijkt vanuit zijn eigen fysiek-ruimtelijke discipline heel anders naar de toekomstige ontwikkelkansen van een scoutingvereniging dan bijvoorbeeld een docent Engels of een ondernemer in de metaal-constructie.
Juist door die verschillende referentiekaders te bundelen, krijg je andere ideeën. Mensen kijken ineens met een ander paar ogen naar hetzelfde vraagstuk. Dat is eigenlijk wat je met zo’n CIMBY-sessie probeert te organiseren.’
En wat gebeurt er nadat dat netwerk in positie is gebracht?
‘Daarvoor hebben we onze adviesinfrastructuur geborgd met een projectvolgsysteem, onze “professionele achterkant”. Daarin leggen we per initiatief relevante informatie en de voortgang vast. Ook het verduurzamingsmodel komt daarin terug.
Zo ben je niet afhankelijk van wat iemand toevallig in zijn hoofd heeft, maar kun je volgen wat er gebeurt, wat er is afgesproken en waar nog iets nodig is.
Ook dat hoort voor mij bij professionaliseren. Als je initiatieven serieus wilt ondersteunen, moet je je eigen ondersteuning ook goed organiseren.’
‘Wij noemen onszelf niet overkoepelend, maar onderkoepelend’
Jullie ondersteunen initiatieven soms behoorlijk intensief. Hoe voorkom je dat Tussenheid ze overneemt?
‘Wij noemen onszelf niet overkoepelend, maar onderkoepelend. Wij coördineren niets. Wij faciliteren. Punt.
Eens in de vier maanden hebben we bijvoorbeeld een collectief overleg waar veelal vijftig of zestig clubs bij elkaar zijn, aangevuld met onze eigen stuurgroep en het lokale gemeentebestuur. Iedereen vertelt dan waar hij/zij mee bezig is en dan bespreken we ook bredere onderwerpen. Formeel is dat niet ons bestuur, maar feitelijk bepalen die collectieven, samen met onze stuurgroep, ons team en de signalen die we uit de ondersteuningspraktijk krijgen, heel sterk wat wij doen.‘
Tussenheid is in de loop der jaren behoorlijk professioneel geworden. Hoe voorkom je dat zo’n lokale ondersteuningsstructuur zelf een instituut wordt?
‘Door heel bewust lokaal te blijven. Wij werken alleen voor Hilvarenbeek en de mensen die bij Tussenheid betrokken zijn, wonen hier ook. Dat vind ik heel belangrijk. Als we hadden gewild, hadden we inmiddels een adviesbureau met vijftig mensen kunnen hebben en door heel Nederland en België kunnen werken. Dat doen we niet. De focus blijft lokaal.
We hebben recent bijvoorbeeld met het ministerie van BZK afspraken gemaakt omdat zij van onze aanpak willen leren (zie ook de Kamerbrief van afgelopen zomer, red.). Dat vinden we prima, men mag hier altijd komen kijken. Maar de verspreiding van dit gedachtegoed gaan wij niet zelf organiseren. Daar zijn andere partijen voor. Partijen die een landelijke missie hebben. Bijvoorbeeld de Landelijke Vereniging van Kleine Kernen.’
‘Dit model is overdraagbaar, daar ben ik van overtuigd’
Kun je de aanpak dan überhaupt naar een andere gemeente overbrengen?
‘Dit model is overdraagbaar, daar ben ik van overtuigd. Het is inmiddels scherp genoeg gedefinieerd en uitgewerkt om het ergens anders toe te passen. Maar je hebt overal maatwerk nodig. Wat in Hilvarenbeek werkt, krijgt in Oosterhout weer andere nuances. Die moet je opzoeken.
En je hebt professionaliteit en ondernemingszin nodig. De mensen in Esbeek hebben tientallen woningen gebouwd. Een kerk verbouwen gaat over miljoenen. Festivals gaan over grote bedragen. Het gaat dus echt ergens over. Dan moet je weten wat je doet en afspraken nakomen.’
De methodiek kun je dus overdragen. Het lokale netwerk niet. Dat bestaat op iedere plek in een eigen vorm. Waarom is dat lokale netwerk zo belangrijk?
‘Ken je het woord mycelium? Bij paddenstoelen zit onder de grond een heel netwerk waardoor alles met elkaar verbonden is. Zo kun je Hilvarenbeek ook zien. Hier ligt een mycelium van mensen die iets doen. Die mensen kennen elkaar, helpen elkaar en zijn via allerlei lijnen met elkaar verbonden. Die verbindingen proberen wij in stand te houden en te versterken.
Dat is uiteindelijk waar het volgens mij om gaat. Niet dat wij bedenken wat de gemeenschap moet doen, maar dat je zorgt dat mensen die zelf iets willen ondernemen elkaar kunnen vinden en de kennis en ondersteuning hebben om dat ook daadwerkelijk voor elkaar te krijgen.’