De veiligheid en het welzijn van kinderen staan voorop. Daarvoor hebben we in Nederland een uitgebreid stelsel opgebouwd. Maar datzelfde stelsel is inmiddels zo complex en vertragend, dat op tijd ingrijpen steeds lastiger wordt. Met alle gevolgen van dien. Daarom moet er iets veranderen, en liever vandaag dan morgen. In de achtste aflevering van In Transformatie Therapie zoeken Wouter Welling en Arre Zuurmond naar de reden voor de trage transformatie binnen de jeugdhulp. Dat doen zij samen met Sigrid van de Poel, bestuurder bij Jeugdbescherming Regio Amsterdam.

Beeld: © Eigen beheer

Sigrid van de Poel: ‘Transformeren is teruggaan naar het oorspronkelijke probleem en proberen een ideale oplossing neer te zetten vanuit de behoefte van de huishoudens zelf.’

Auteur: Lotte Breunesse

Jeugdbescherming bevindt zich in het spanningsveld tussen maatwerk voor het gezin en gelijkheid voor de wet. Het instituut houdt zich uitsluitend bezig met juridische maatregelen om kinderen te beschermen van degene met wie hij/zij samenleeft, vaak als gevolg van een gerechtelijke uitspraak.

‘Ik denk dat mensen geen idee hebben van de verschrikkelijke dingen die er, ook in Nederland, met kinderen gebeuren’, schat bestuurder Jeugdbescherming Amsterdam Sigrid van de Poel in. ‘Dat gaat niet alleen om fysiek geweld, maar bijvoorbeeld ook psychologisch. Onderzoek wijst uit dat emotionele verwaarlozing veel meer consequenties voor de ontwikkeling voor een brein heeft, dan een klap.’

Co-host Wouter Welling denkt dat dit domein lastig is omdat we opvoeding als een privéaangelegenheid zien. Dit terwijl Jeugdzorg en Jeugdbescherming collectieve instanties zijn die we als maatschappij georganiseerd hebben. ‘Deze instituten krijgen ervan langs als er iets verkeerds voorvalt, maar moeten in eerste instantie vooral buiten de deur blijven. Het is intrinsiek ondankbaar werk, lijkt het wel.’

"Je moet Jeugdzorg en Jeugdbescherming niet zien als representant van een overheid waar je gewoon geen vertrouwen in hebt"

Steeds hogere drempel

Jeugdbescherming kan veel situaties niet voorkomen, omdat zij afhankelijk is van signaleringen uit de maatschappij en de rechter die een uitspraak doet. Dan pas kunnen jeugdbeschermers inspringen. Daarbij komt dat er dan al een heel scala aan instanties betrokken is geweest bij een gezin.

Van de Poel schetst dat men in Nederland niet teruggaat naar het oorspronkelijke probleem wanneer er geen toereikende oplossing blijkt te zijn. In plaats daarvan wordt een oplossing bedacht voor het niet werken van de oplossing. Het resultaat is dat instanties zich opstapelen en er een keten wordt ontwikkeld, die volgtijdelijk afgewerkt moet worden – lokale jeugdzorgteams, VeiligThuis, Raad van de Kinderbescherming, de rechter – voordat het bij Jeugdbescherming terechtkomt.

Vanwege de wachtlijsten die inmiddels bij elk schakeltje ontstaan zijn, duurt het gemiddeld negen maanden voordat een casus bij Jeugdbescherming ligt. ‘En dan heb je het over zeer complexe en gevaarlijke situaties.’

Deze constructie maakt het moeilijker om op tijd en effectief in te grijpen in een crisissituatie. De drempel om hulp te vragen wordt voor mensen zo überhaupt hoger.

Van de Poel: ‘Iedereen denkt: In wat voor systeem kom ik terecht? Voor ik het weet zit ik in een soort verdachtenbankje. Terwijl we slechts bij 10 procent van de gevallen overgaan tot uithuisplaatsing.’

Daarnaast is er met de intrede van VeiligThuis een meldcultuur ontstaan. De lokale teams moeten zorgen voor de benodigde laagdrempeligheid, en Van de Poel ziet dat inmiddels het besef is ingedaald dat die teams integraal opgezet moeten worden.

Vaak is er namelijk sprake van multiproblematiek die gelijktijdig en aan de voorkant aangepakt moet worden, niet pas als het is geëscaleerd. ‘Mensen moeten deze instanties zien als mogelijkheden om hulp te krijgen, en niet als representant van een overheid waar ze gewoon niet zoveel vertrouwen in hebben.’

"Je moet kijken naar het hele systeem om een kind heen: iedereen moet gezien en begrepen worden, wil je het oplossen"

Naar een gezinsgerichte aanpak

Welling: ‘We benaderen een menselijk vraagstuk vanuit een systeemwereld, opgeknipt in organisaties die werken met wachtrijen, intakes, tickets en interne logica. Ik vraag mij af: kan dit anders?’

Daarop antwoordt Van de Poel: ‘Tuurlijk!’ Ze zet zich al ruim twintig jaar in voor de manier waarop we in Nederland kinderen en gezinnen beschermen. Voor een voorbeeld gaat ze terug naar de tijd dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam – toen nog Bureau Jeugdzorg – bestond uit drie onderdelen die functioneerden met eigen (wettelijke) kaders: jeugdhulpverlening, -bescherming en -reclassering.

Het kon zijn dat er drie medewerkers van Bureau Jeugdzorg met hetzelfde gezin bezig waren, maar niet van elkaar wisten wat zij deden. ‘Terwijl het voor de buitenwereld één organisatie was. Toen zijn we gaan kijken: hoe kan dit anders, op een manier die voor alle drie de onderdelen werkt’, vertelt Van de Poel.

‘Het antwoord is heel simpel: één gezin, één plan, één medewerker. En je moet kijken naar het hele systeem om een kind heen: iedereen moet gezien en begrepen worden, wil je het oplossen.’

Binnen Jeugdbescherming is dit gelukt, maar deze gezinsgerichte aanpak bleek moeilijk te integreren in de rest van de keten. En dat is wel degelijk nodig: ‘Alleen de eigen organisatie transformeren levert voor een gezin veel te weinig op: bij daadwerkelijk beschermen heb ik iedereen nodig.’

Daarom ging Van de Poel het gesprek aan met mogelijke bondgenoten, onder andere de Blijf Groep die zich inzet tegen huiselijk geweld. Samen zetten zij de pilot ‘Blijvend Veilig’ op, gekoppeld aan de landelijke pilot die keek naar een effectievere inrichting van de jeugdbeschermingsketen. ‘Wij hebben echt geprobeerd om neer te zetten dat je niet vanuit je wettelijke taak denkt, maar vanuit het gezin: wat heeft dat nodig en wie heeft dan de beste papieren om dat te bieden?’

"Optimaliseren is proberen het beste te halen uit een systeem waarvan je weet dat het niet deugt"

Transformatie buiten oude kaders

Over het hele land werden pilots en proeftuinen ingericht, en er was consensus: uiteindelijk zouden er organisaties uit de keten moeten worden opgeheven. ‘Maar er werd ook gezegd dat we ons tot die tijd aan de bestaande wetten moesten houden. Dus onze pilot kon niet doorgaan zoals wij die hadden ingericht.’

Arre Zuurmond vindt dat een contradictie op zich: ‘Je vraagt iemand om een pilot te doen in anders werken, maar het moet wel binnen de bestaande structuur en bestaande regels – die juist de reden zijn waarom het huidige systeem niet werkt.’

Van de Poel heeft ook nog gepleit voor experimenteerwetgeving, omdat ze het belang wel inziet van duidelijke kaders over wat wel en niet mag binnen zo’n pilotsfeer.

‘Maar de ontwikkeling daarvan zou weer te lang duren, dus we moesten maar aan de slag met wat er al was.’

Ze benadrukt dat andere proeftuinen wel aan de slag zijn gegaan met delen van de veranderopgave binnen de bestaande kaders, en dat daaruit blijkt dat er ook dan al veel mogelijk is.

‘Dat wist ik ook wel, maar dan transformeer je niet, en dat is wat ik wilde bereiken. Optimaliseren is proberen het beste te halen uit een systeem waarvan je weet dat het niet deugt; transformeren is teruggaan naar het oorspronkelijke probleem en proberen om een ideale oplossing neer te zetten. Vanuit de behoefte van de huishoudens zelf.’

"Transformeren is teruggaan naar het oorspronkelijke probleem en proberen een ideale oplossing neer te zetten"

Binnen of buiten de lijntjes

Het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming is tegelijkertijd wel omarmd. Dat programma pleit voor een radicaal andere manier van kijken naar de organisatie van jeugdhulp. Vanuit vier basisprincipes: gezinsgericht, rechtsbeschermend (en transparant), eenvoudig en lerend.

‘Ik zie wel dat er een enorme drive is om dit uiteindelijk neer te zetten, maar dat heeft veel meer tijd nodig dan ik aantrekkelijk had gevonden. Maar dat blijkt nodig om de randvoorwaarden zo neer te zetten dat transformatie mogelijk wordt. Het experimenteren moet wel binnen de lijntjes.’

Dat heeft ook te maken met de borging van de verschillende instanties die bij deze transformatie betrokken zijn: VeiligThuis (VWS), de Raad voor de Kinderbescherming (JenV), lokale jeugdzorgteams (VNG) en de Jeugdbescherming, die nergens ondergebracht is.

‘Het ouderschap maakt het loslaten van bestaande kaders voor die organisaties spannend, omdat je grip zou kunnen verliezen. Dat zijn heel begrijpelijke overwegingen. Maar uiteindelijk gaat het erom: ben je als medewerker van een ministerie opgesteld om risico’s te mijden en de minister in het zadel te houden? Of om de burger daadwerkelijk tegemoet te komen in wat hij nodig heeft?’

"Moet jij risico’s mijden en de minister in het zadel te houden, of moet jij de burger daadwerkelijk tegemoetkomen in wat hij nodig heeft?"

Reflectie van het systeem

Alice Sonne geeft bij Ombudsman Metropool Amsterdam leiding aan een team dat klachten in het sociale domein behandelt. Dat gebeurt soms via hoor en wederhoor, gevolgd door een oordeel. Maar soms ook met zogeheten ‘systeeminterventies’. Daarbij wordt gekeken waar gezinnen tegenaanlopen en hoe het systeem weer in beweging gebracht kan worden.

Zij herkent het beeld dat Van de Poel schetst over het belang van het hele systeem meekrijgen in een verandering. ‘Als Ombudsman zijn wij eigenlijk ook een reflectie van dat systeem. Vaak heeft iemand al bij drie andere instanties geklaagd voordat hij bij ons komt. Ondanks dat al die andere schakels het op zich goed gedaan hebben, is een gezin soms alsnog niet geholpen omdat het in de keten zelf vastloopt.’

Van de Poel: ‘We zien nog heel vaak dat er inderdaad niet naar de context gekeken wordt. Ik ben blij met de proeftuinen, want daaruit blijkt dat een groot deel helemaal niet in de beschermingsketen hoort: die heeft gewoon hulp nodig, en dan moet je wel durven.’

Zuurmond zet vraagtekens bij hoe het kan dat een op de zeven kinderen überhaupt al bij jeugdzorg terechtkomt. Moeten we daar niet meer aandacht aan besteden? Sonne: ‘Er moet meer maatschappelijk debat komen over hoe wij onze samenleving inrichten en hoe we omgaan met mensen die net iets anders nodig hebben dan anderen.’