In de tiende en laatste aflevering van In Transformatie Therapie spreken Wouter Welling en Arre Zuurmond met korpschef van de politie Janny Knol. Over een politieorganisatie die moet meebewegen met nieuwe vormen van criminaliteit. Maar vooral over een veiligheidsopgave die niet door de politie alleen kan worden opgelost. Daarmee eindigt de serie bij een vraag die in vrijwel alle afleveringen terugkeerde: hoe doorbreek je de grenzen tussen organisaties wanneer maatschappelijke problemen zich daar niets van aantrekken? 

Beeld: © Phil Nijhuis

Janny Knol: ‘De politie is echt een doe-organisatie. Wij zitten op het punt dat we denken: wanneer komen we nou in beweging?’

In haar antwoord op de voorstelvraag somt Janny Knol de plekken op waar zij heeft gestudeerd en gewoond, en sluit af met ‘Oh ja, en ik heb ook nog bij de politie gewerkt.’ Want haar leven bestaat uit meer dan werken bij de politie, ondanks dat ze daar al heel wat jaren werkzaam is. Die brede blik kenmerkt ook haar ideeën over transformatie: wie uitsluitend naar de eigen organisatie en opdracht kijkt, ziet maar een deel van het maatschappelijke probleem. Het is een gedachte die in deze podcastserie vaker terugkeerde. Maatschappelijke opgaven zijn breed, terwijl de overheid zichzelf grotendeels sectoraal heeft georganiseerd.

"De politie is geografisch ingericht, maar digitale criminaliteit trekt zich daar niets van aan"

Handhaven én meebewegen

In haar tijd als politiechef Oost-Nederland was Knol al bezig met innovatie en ontwikkeling. ‘De noodzaak van veranderen, zien wat er in de samenleving gebeurt en ervoor zorgen dat de politie daar ook toekomstbestendig op meebeweegt, dat heeft mij in mijn carrière wel steeds gevolgd. Of liever: dat vraagstuk heb ik steeds meegenomen, ook toen de positie van korpschef zich aandiende.’

Voordat ze daaraan begon, wilde ze eerst de tijd en ruimte hebben om met mensen uit de organisatie en daarbuiten – politiek, bestuur en wetenschap – te spreken. Over wat men ziet gebeuren in de samenleving en de wereld, om aan de hand daarvan ook echt verder te komen met de opgave voor de politie.

Drie maanden lang voerde ze dwars door Nederland en daarbuiten gesprekken over de vragen: Welke veranderingen zien we binnen de criminaliteit en de openbare orde? Wat vraagt het van de politie om ‘mooi bij de tijd te blijven’? Dat alles leidde tot de strategische agenda ‘Stevig staan in deze tijd’. Daarin schuilt een tweeledige opstelling: grenzen stellen vanuit het geweldsmonopolie dat de samenleving de politie heeft toevertrouwd, en meebewegen wanneer criminaliteit andere vormen aanneemt.

Bijvoorbeeld als het gaat om digitalisering. ‘Die heeft zo’n grote, veranderende impact op criminaliteit. Wij moeten vooraan staan, en niet wachten totdat die verandering helemaal heeft plaatsgevonden.’

Digitale criminaliteit gaat voorbij aan de geografische oriëntatie waarop de politie ingericht is, en vraagt dus echt om transformatie. Je hebt naast agenten op straat, ook mensen nodig die online autoriteit hebben.

‘Dat wil niet zeggen dat het een belangrijker is dan het ander: het moet naast elkaar kunnen bestaan. Maar dat vraagt wel wat van ons ecosysteem.’ Om dat te kunnen doen, is er een transformatie nodig van de hele keten. Het morele vacuüm van de onlinewereld is niet alleen een zaak van de politie, maar van de hele samenleving.

"Wat urgent is, komt vaak vóór wat belangrijk is"

Bevraag wat je leidt

Transformatie vraagt dus niet alleen om een andere aanpak, maar ook om een nieuw ontwerp. Volgens Arre Zuurmond ontbreekt het vaak aan urgentiebesef in dit soort transformatievraagstukken: ‘Bij de deltawerken hebben we gezegd: we moeten misschien wel 25 jaar werken aan de fundamentele verandering, maar we gaan het wel doen.’

Omdat er politiek gezien wordt gestuurd op het haalbare, blijven we – als de overstroming uitblijft – in dezelfde systemen werken. Terwijl er ondertussen grote aantallen mensen onder lijden, zoals bijvoorbeeld in het domein van Jeugdbescherming. ‘Het aanleggen van stormvloedkeringen is een heel ander vak dan het ophogen van dijken, maar heeft wel voor transformatie gezorgd in onze omgang met water.’

Knol herkent dit in de werking van de strafketen. Daar gaat de urgentie uit naar delicten die nu zichtbaar zijn, zoals een vechtpartij waarbij iemand wordt aangehouden. Terwijl onzichtbare criminaliteit zoals com-groepen, waarin kinderen en jongeren worden aangezet tot geweld en zelfbeschadiging, pas daarna komen.

‘Wat urgent is, komt vaak vóór wat belangrijk is’, omschrijft de korpschef dit systeem. Wat zich in de fysieke wereld afspeelt, krijgt opvolging. Terwijl de digitale wereld steeds dreigender wordt, en de aanpak van die criminaliteit juist ook belangrijk is.

Om transformatie mogelijk te maken, zijn andere indicatoren nodig. ‘Zolang de financiering nog gedreven wordt door het aantal verdachten, kom je nooit tot het verschil dat je wil maken. Want één verdachte kan in een online omgeving duizenden slachtoffers maken.’

Daarnaast moet je kunnen functioneren en belangrijke keuzes maken zonder dat je het hele speelveld kent en begrijpt. Binnen het politiekorps ziet Knol dat er inmiddels wel spelers zijn die dit snappen en in beweging durven te komen. Maar er is ook transformatie buiten de strafketen nodig.

"Het is niet óf optimaliseren, óf transformeren – het moet naast elkaar gebeuren"

Transformeren doe je niet alleen

Neem bijvoorbeeld de omgang met mensen met verward en onbegrepen gedrag. Om dat goed aan te pakken, is er ook ruimte in het domein van volksgezondheid nodig om andere stappen te zetten dan tot nu toe wordt gedaan. Ook hier is de verkokering van de overheid een obstakel: financieel, juridisch en procedureel, zeker op lokaal niveau sinds de decentralisaties van 2015. Daar wordt wel over gepraat. ‘Maar de politie is echt een doe-organisatie. Wij zitten op het punt dat we denken: wanneer komen we nou in beweging?’

Als je het niet meer weet, bel je de politie. Dat zorgt ervoor dat agenten vaak geconfronteerd worden met personen met verward of onbegrepen gedrag en ook moeten ingrijpen. Terwijl die personen iets anders nodig hebben. Daarom pleit Knol voor nieuwe oplossingen. Bijvoorbeeld een meldoptie voor geestelijke gezondheidszorg via de noodhulplijn 112, waardoor de juiste professional ter plaatse kan komen.

‘Dan gaat de politie indien nodig mee om de veiligheid te waarborgen, maar dat is echt iets anders dan dat wij de eerste zijn die aankomt.’ Dat vraagt ook andere financiering – niet sectoraal of thematisch, maar als basisvoorziening.

Wouter Welling herinnert zich hoe uit eerdere podcastgesprekken bleek dat het bestuurlijk vaak de veilige keuze is om vraagstukken binnen het eigen domein op te lossen. Knol kiest daar nadrukkelijk niet voor. Waarom? ‘Ik ben ervan overtuigd dat de verandering er alleen maar komt als ik die stap zet. Je hebt een aantal topbestuurders die het probleem niet verschuiven, maar stappen zetten richting de oplossing.’

Voor Knol is het niet optimaliseren of transformeren: het moet naast elkaar plaatsvinden. Als het gaat over inzet op openbare orde, het ontwikkelen van concepten en verantwoording afleggen, dan zijn er punten waarop de politie kan verbeteren. Er mag, vindt zij, ook gezegd worden dat Nederland een unieke politieorganisatie heeft die echt door de samenleving vertrouwd en gezien wordt. ‘Dat moeten we behouden. En ja, we hebben ook iets anders te doen. Daar moeten we onze ogen niet voor sluiten.’

"Voor echte verandering moet je nieuwsgierig zijn naar wat de ander voor jou kan betekenen"

Stel eens een vraag

Wat doet de korpschef om de transformatie van het veiligheidsdomein in gang te zetten? Knol vertelt over het actief werven van mensen met andere vaardigheden, die deze nieuwe gebieden begrijpen. En hen de voorwaarden en ruimte geven om het systeem zo in te richten als zij denken dat nodig is - in eerste instantie vaak wel op experimentele basis. Om dat mogelijk te maken, worden er voortdurend gesprekken gevoerd over wet- en regelgeving, bijvoorbeeld op het gebied van AI.

Maar innovatie zit niet alleen in technologie, het zit ook in het samenspel met andere sectoren en de samenleving. Daarvoor moet je over de grenzen van je eigen opdracht durven kijken: ‘Je moet ook nieuwsgierig zijn naar wat de ander voor jou kan betekenen.’ Jonge mensen, of nieuwe mensen, moeten vooral niet stil blijven, maar hun verwondering uit blijven spreken. Stel daarbij liever een vraag dan dat je enkel een mening verkondigt.

Niet vergeten voor wie je het doet

De reflectie van Pauline Moeijes laat zien hoe deze manier van denken ook elders in het veiligheidsdomein vorm krijgt. Als coördinator van de strafrechtketen in Noord-Holland kijkt zij niet alleen naar de snelheid van het bestaande proces, maar ook naar de waarde die dat proces voor (in het bijzonder) jongeren moet hebben. Deze functie is bedacht door het bestuurlijk ketenberaad, om te werken aan de doorlooptijden. Net als Knol begon Moeijes met het identificeren van het probleem en mogelijke oplossingsrichtingen door in gesprek te gaan met mensen van zowel binnen als buiten de keten.

Daaruit bleek dat korte doorlooptijden niet alleen een doel zijn, maar ook een middel om tot transformatie te komen. ‘Ik probeer het gesprek niet alleen te voeren over die kwantificeerbare, meetbare stukken van het systeem, maar over welke waarde we willen toevoegen aan dat systeem’, legt Moeijes uit.

‘De snelheid van het systeem is belangrijk, juist ook voor jongeren. Maar we moeten niet vergeten waar we het eigenlijk voor doen.’ Daarom spreekt ze ook met jongeren over wat zij belangrijk vinden. Ze hoopt dat deze benadering de vele mensen die vanuit intrinsieke motivatie zijn begonnen met dit werk, weer aan het denken zet.

Dat ‘In Transformatie Therapie’ eindigt bij het veiligheidsdomein, is dan ook passend. Voor inwoners is een ontwrichtende situatie niet afzonderlijk een politie-, zorg- of gemeentelijk probleem. Het is één probleem, waarvoor zij de overheid als geheel aankijken. De brede blik waarmee Knol zichzelf aan het begin van het gesprek introduceert, is ook de slotles van de serie: kijk niet alleen naar je eigen functie en opdracht, maar naar het totaalplaatje – en naar wat daarin van jou wordt gevraagd.