‘Niemand heeft het recht te gehoorzamen’, is een beroemde uitspraak van filosoof Hannah Arendt, waarmee ze oproept tot morele verantwoordelijkheid en kritisch denken. In de leergang ‘Macht en Moed’ van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) krijgen ambtenaren met behulp van westerse filosofen handvatten om tegenspraak te bieden. Als eindopdracht schrijven ze hun eigen, persoonlijke ambtseed. In deze reeks artikelen bespreken we zo’n persoonlijke ambtseed met de maker zelf. Met deze keer Marieken Westerink, beleidsadviseur Ethiek en Werkgeverschap bij Politie Nederland. 

Beeld: © Eigen beheer

Marieken Westerink: ‘Je hebt een pas op de plaats nodig om af te wegen of je wel het goede doet.’

Auteur: Lotte Breunesse 

Innerlijk knaagdier – Ode aan de morele intuïtie, deel 1 

In mijn borstkas woont een knaagdier, rustig verscholen dicht bij mijn hart. Maar soms plaagt hij me door een allesoverheersend geknaag aan mijn geweten. Dat voelt ongemakkelijk. Hij leidt me af en laat me piekeren. Het overkomt me als ik het nieuws lees, nadenk over iets wat speelt op mijn werk of over hoe we met elkaar omgaan. 

Zijn geknaag dwingt me vragen te stellen: klopt dit wel, doen we hier goed aan, kan ik ermee leven, wil ik zo zijn? Ik heb geprobeerd net te doen alsof hij er niet is, hem buiten mijzelf te plaatsen, tot zwijgen te brengen. Maar dat lukt niet. Hij gaat dan alleen maar harder knagen. De enige manier om hem te stoppen is om te onderzoeken wat er in zijn geknaag doorklinkt. Maar daar heb ik rust en tijd voor nodig en die tijd is er bij de politie vaak niet. De druk is hoog. Liever een snelle stap naar voren dan een pas op de plaats. Anders sta je buitenspel of word je ingewisseld. 

Elke keer krijg ik spijt als ik mijn knaagdier heb genegeerd: hád ik hem maar aandacht gegeven, dan had ik bewuster keuzes gemaakt en anders kunnen handelen. Mijn knaagdier waarschuwt me voor het risico op gewetensnood, helpt me in vorm te komen en brengt me verder. Hij haalt me uit mijn vastgeroeste denk- en doepatronen. Privé en in mijn werk.  

Waar staat dat knaagdier precies voor? 

‘Het knaagdier staat voor je morele intuïtie, die je aanzet tot zelfreflectie. Het is belangrijk dat je jezelf daartoe kunt zetten. Dan kun je in actie komen en met je intuïtie in gesprek gaan, om zo samen tot inzichten te komen. Het legt de focus op jezelf, in plaats van dat je naar anderen kijkt voor een oplossing. 

Het heeft ook een letterlijke oorsprong: ik heb een keer per ongeluk een zevenslaper (relmuis, red.) opgesloten in mijn huis. ’s Nachts werd ik wakker toen hij zich een weg door de deur van de logeerkamer probeerde te knagen, op zoek naar de vrijheid. Ik voelde me toen zo schuldig.’ 

Wat heeft je ertoe gezet om mee te doen aan Macht en Moed? 

‘Als adviseur op het sociaal domein binnen de politie wil ik het goede doen, eraan bijdragen dat de politie doet wat je van een goede werkgever mag verwachten. Politiemensen maken indringende gebeurtenissen mee. Het is een hoog-risicoberoep waarbij ze voortdurend morele afwegingen maken (morele arbeid, in de woorden van Hannah Arendt). Bijvoorbeeld: ga ik bekeuren of laat ik het bij een waarschuwing, wat is de basis van mijn handelen? Hoe blijf je als werkgever stimuleren dat je mensen daarin bewuste keuzes maken? Dat is belangrijk voor goed politiewerk, maar ook om beter om te gaan met morele spanningen.  

Vanuit mijn functie had ik het verlangen mezelf meer te verstevigen op praktische filosofie. Het theorieboek Macht en Moed van Erik Pool heb ik dan ook meteen gelezen toen het uitkwam. Deze cursus bood mij precies de filosofische verdieping die ik altijd al zocht. Ik ben immers ook ooit journalistiek gaan studeren omdat ik op zoek was naar het antwoord op de vraag: waarom?’ 

Je schrijft over een spanning tussen het werk bij de politie en tijd nemen voor morele reflectie. Kun je daar meer over vertellen? 

‘Als mensen het zelf niet meer weten of niet meer durven, dan bellen ze de politie. Vaak heef het impact wanneer de politie in je leven verschijnt. Dat is het werkveld waarin wij ons begeven. De druk wordt nog eens verhoogd omdat je je onder een soort glazen stolp beweegt: het werk van de politie is ontzettend zichtbaar en wordt ook nauwlettend in de gaten gehouden door de maatschappij. De politie stapt naar voren als anderen een stap terug doen. In de hitte van het moment op straat is dat nodig om adequaat en professioneel te kunnen handelen. Die actiegerichte werkwijze uit het veld sijpelt ook door in andere werkzaamheden en in de rest van de organisatie, terwijl je soms die pas op de plaats juist nodig hebt om af te wegen of je wel het goede doet. Daarom moeten we extra moeite doen om die reflectie in te bouwen.’ 

Kun je een voorbeeld noemen van een moment waarop je beter naar jouw innerlijke knaagdier had willen luisteren? 

‘Achteraf herken ik die momenten wel. Zo paste ik een aantal jaar geleden een beleidsstuk aan op verzoek van leidinggevenden, terwijl ik daar zelf vanuit mijn expertise niet helemaal achter stond. Vanuit efficiëntie kon ik het wel beredeneren: als die aanpassing helpt om het sneller door de besluitvorming te krijgen, dan is het maar klaar en kunnen we ermee aan de slag. Toch ging het knagen: heb ik er wel goed over nagedacht, of was het een kwestie van ogen dicht en rammen? Toen heb ik mezelf voorgenomen dat ik dat niet meer zou doen, en ik train mezelf om dit eerder aan te voelen.’ 

Wanneer heeft het knaagdier je voor zoiets behoed? 

‘Later werd ik voor een andere klus gevraagd. Ik had er mijn twijfels bij: de intentie was goed, maar de randvoorwaarden vond ik minder acceptabel. Ik nam mij voor dat ik er wat van kon maken als ik die voorwaarden iets om kon buigen. Uiteindelijk lukte het niet om het voor mezelf geloofwaardig te maken, daarom heb ik de opdracht teruggegeven. Toch voelt dat niet als een overwinning, eerder als opgeven. Dat doet pijn. Luisteren naar je knaagdier is geen kwestie van goed of fout, het is altijd complex en gaat ten koste van iets anders.’

"Bij de politie moeten we extra moeite doen om reflectie in te bouwen"

Deel 2

Destijds ben ik bewust en uit vrije wil bij de politie gaan werken om van betekenis te zijn. We staan als politie midden in de samenleving, helpen mensen in nood en zorgen voor de handhaving van de democratische rechtsorde. In een land waar de rechten van de minderheid worden beschermd tegen de ‘tirannie van de meerderheid’ en tegen het recht van de sterkste.  

Dagelijks wil ik mijzelf eraan herinneren dat de bureaucratie waarvan ik onderdeel uitmaak, een middel is om hogere waarden te dienen zoals rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. Dat ik mijn werk met zorg en liefde wil doen en gelijkmoedig wil zijn.  

Het geeft me een goed gevoel onderdeel te zijn van de politie. Dat ik in mijn rol direct kan bijdragen aan een werkgever die goed voor haar 65.000 medewerkers wil zorgen, geeft me veel voldoening. Maar, het gaat knagen als ‘we’ niet het goede doen of dat niet goed genoeg doen. Ook dát is de politie en ik verhoud me ertoe, want het is míjn politie. 

Onlangs kreeg ik voor ‘25 jaar trouwe dienst’ een bonus en een insigne. Het was een welkome erkenning en waardering. Tegelijkertijd vroeg ik me af: Wat betekent ‘trouwe dienst’? Is dat een verdienste of juist niet? Is dat bewonderingswaardige toewijding en loyaliteit? Of kritiekloze, blinde gehoorzaamheid? Ben ik sterk genoeg geweest om van mening te verschillen en tegenwicht te bieden als de waarheid of het algemeen belang onrecht werd aangedaan? Zet ik mijn macht en moed goed in? Ben ik me voldoende bewust van mijn eigen feilbaarheid?  

Wat is voor die ‘trouwe dienst’ mijn offer geweest? Ben ik over mijn eigen grenzen gegaan of heb ik anderen toegestaan dat te doen? Heb ik me onder druk laten zetten? Kortom, ben ik ook trouw aan mezelf gebleven? 

En, heb je inmiddels een antwoord gevonden op die vraag? Ben je trouw aan jezelf gebleven?  

‘Grotendeels wel, denk ik. Al zijn er ook momenten dat ik mezelf niet trouw ben gebleven onder het mom van: we moeten door. Daar moet ik mee leven. Ik ben er nu scherper op, al komt dat vast ook met de leeftijd en carrièrefase. Het mag ook gezegd worden dat het in mijn werk vaak minder ingewikkeld is dan in het politiewerk op straat. Daarom probeer ik naar mijn collega’s uit te dragen: zorg alsjeblieft goed voor jezelf en je knaagdier. Je moet het ook allemaal een plek kunnen geven.’ 

Uit jouw persoonlijke ambtseed spreekt een heel duidelijk gevoel van verantwoordelijkheid, een soort moreel plichtsbesef. Zo schrijf je bijvoorbeeld “mijn politie” 

‘Als je die verantwoordelijkheid zelf niet voelt, word je er wel aan herinnerd op verjaardagen. Ik voel dat wel heel sterk. Macht en Moed heeft mij geholpen om het verschil tussen schuld en schaamte te herkennen. Dat heeft te maken met in hoeverre je verantwoordelijk bent voor de fouten van je organisatie. Als een collega iets verkeerd doet, ben ik daar niet schuldig aan. Maar ik voel wel schaamte, want ik voel mij onderdeel van de politie. Daarom is het belangrijk om jezelf af te vragen: wat kan ik eraan doen? Luisteren naar het geknaag aan je geweten is een goed begin.’ 

Hoe heeft Macht en Moed jou geholpen om met het knaagdier om te gaan? 

‘We gingen echt terug naar de kern van de rol van ambtenaar in de democratische rechtsstaat. Die rol is het inbrengen van expertise. In de praktijk wordt dat vaak verward met haalbaarheid, maar dat is in essentie niet jouw rol. Toch worden adviezen soms niet gehonoreerd vanwege de haalbaarheid en betaalbaarheid. In hoeverre buig je dan jouw professionele opvattingen bij zodat iets er makkelijker doorheen komt? Dat kan ik nu beter beargumenteren. Bevrijdend aan deze opleiding vond ik dat je allerlei filosofische ‘snacks’ aangereikt krijgt, die je hongerig maken naar meer. Het geeft een bepaald niveau van perspectivische lenigheid: je leert verschillende manieren om ergens tegenaan te kijken.’

"Macht en Moed heeft mij geholpen om het verschil tussen schuld en schaamte te herkennen"

Deel 3

Mijn knaagdier houdt me bij de les en activeert mijn innerlijk weten, mijn ge-weten. Hierdoor leer ik mezelf beter kennen. Hij zet de kompaspunt scherper op mijn ethische noorden en nodigt me uit tot moreel bewustzijn. Voor mezelf en voor het algemeen belang. Want als het aan míj knaagt en morele spanning geeft, zal het vast bij meer mensen zo zijn. Dan is de kans groot dat er iets niet helemaal klopt, er tenminste één perspectief onvoldoende is meegenomen en dat er – in het ergste geval – sprake is van immorele praktijken.  

Mijn grootste nachtmerrie is dat ik mijn knaagdier té laat hoor en een keer ’s nachts wakker wordt van zijn gekmakend geknaag aan mijn geweten. Dat ik té laat doorheb dat mijn morele ondergrens wegzakt omdat ik eraan gewend raakte. Dat ik mijn pad naar het goede, het ware en het schone kwijtraak. En de gulden middenweg niet meer vind tussen te veel en te weinig. Dat ik onverschillig ben geworden, naar de ander en naar de waarheid. Dat ik vergeten was dat mijn gedachten altijd vrij zijn en ik als vrij mens nooit gedwongen kan worden tot een handeling als daarmee actief wordt bijgedragen aan onrecht. Dat ik me gedachteloos liet meetrekken in de waan van de dag van collectieve paniek of gemakkelijk populisme.  Dat ik verdoofd ben door de retoriek van de efficiëntie en resultaatgerichtheid. Ik ben bang dat ik opeens mezelf niet meer herken en denk: ‘had ik maar’, of ‘had ik maar niet’. Maar dat ik er dan niets meer aan kan doen. 

Mijn innerlijk knaagdier maakt mijn morele intuïtie sterker waardoor ik eerder merk dat er iets knaagt. Maar dat niet alleen. Hij maakt het me gemakkelijker om onderzoekend te blijven en me uit te spreken, omdat ik me niet alleen voel. M’n knaagdier en ik zijn immers samen, én we staan niet alleen. Ik herken ze in journalisten en politici die met scherpe vragen de waarheid proberen te achterhalen. In burgers die zich uitspreken tegen onbehoorlijk politieoptreden. In collega’s die alarm slaan over hoe de politie algoritmes dreigt in te zetten, of die opstaan tegen grensoverschrijdend gedrag onderling.  

Samen hebben we de macht en moed om stevig te staan voor rechtvaardigheid, gelijkheid en solidariteit. Daar wil ik, samen met mijn innerlijk knaagdier, voor blijven gaan.  

Welke filosofische inzichten kunnen we herkennen in jouw persoonlijke ambtseed? 

‘Ik denk dat het de populariteit van denkers zoals Kant en Habermas reflecteert binnen de politie, en in Nederland als geheel. Wat voor mij echt naar meer smaakte, was de taal en de manier van denken van Tronto: het belang van zorgen voor elkaar, solidariteit, wederzijdse verantwoordelijkheid en de basis van vertrouwen. Daaruit volgt de vraag: hoe houd je jezelf daar scherp op, in een bedrijfscultuur waarin het werk altijd voor gaat?  

Het knaagdier is daar een antwoord op. Naar je knaagdier luisteren, is luisteren naar de vragen die er zijn, om daar op te kunnen antwoorden met wat voor jou belangrijk is. Dat verandert door de jaren heen en is ook afhankelijk van de mensen met wie je werkt. Uiteindelijk gaat het erom: wat ligt eronder, wat zijn belangrijke deugden voor mij?’ 

En wat zijn die deugden voor jou? 

‘Dat zijn de deugden waarmee ik mijn tekst eindig: rechtvaardigheid, gelijkheid en solidariteit. De verantwoordelijkheid voelen om iedereen mee te laten doen, omdat we als mens gelijkwaardig zijn en ergens op terug moeten kunnen vallen. Democratische rechtsstaat wordt vaak gezien als één begrip, maar door deze leergang ben ik de tweeledigheid ervan gaan inzien. Democratie en rechtsstaat hebben elkaar nodig. De politie moet daarin het algemeen belang dienen en er voor iedereen zijn.’ 

Zijn gewetensvraagstukken iets wat je zelf probeert op te lossen? Of zijn het ook aanleidingen voor gesprek? 

‘Het is zeker aanleiding voor gesprek, en ik denk dat dat ook nodig is. Je kan zelf best een eind komen, maar in gesprek met elkaar merk je pas echt waar je staat. Of je de enige bent, of dat het bij meer mensen speelt. Als dat zo is, is er ook bredere actie nodig. Het is dus superbelangrijk om dingen die aan je knagen te bespreken met andere mensen. Door deze tekst hebben we binnen de afdeling ook een bepaald vocabulaire ontwikkeld om erover te praten. Dan vragen we elkaar: “Hoe is het met jouw knaagdier?”