Ontwerper André Schaminee beweegt in zijn werk tussen agrarisch ondernemers en overheid. Op het erf dat zeven generaties in zijn familie is, probeert hij ondertussen zelf een voedselbos van de grond te krijgen. Beide werelden leren hem hetzelfde: transities laten zich niet van tevoren uittekenen. Toch probeert de overheid dat nog te vaak wel. ‘Je moet dingen gaan doen om meer te begrijpen. En op basis daarvan intelligent bijsturen.’
Beeld: © EMMA / Astrid Vermeer
André Schaminee: ‘We hebben wel pilots, experimenten en allerlei contacten tussen beleid en uitvoering. Maar echt georganiseerd leren is nog een ondergeschoven kindje.’
Auteur: Eduard van Holst Pellekaan

Interview met André Schaminée
DownloadJe opent je boek Designing for systemic change met de vraag: waarom lossen we het niet gewoon op? Waarom lukt dat bij de landbouw zo moeizaam?
‘We zijn nog nooit zo rijk en zo slim geweest als nu, en toch lijken we grote problemen steeds moeilijker opgelost te krijgen. Dat geldt voor de opgaven in de landbouw, maar net zo goed voor zorg, wonen en het sociaal domein.
Bij de landbouw vergeten we iets belangrijks: de wereld die wordt voorgesteld, is voor degene die moet veranderen niet vanzelfsprekend beter dan de wereld die hij kent. Als agrarisch ondernemer zit je in een systeem dat buitengewoon goed georganiseerd en geoptimaliseerd is. Je kent je markt, weet hoe je moet produceren en hebt structuren waarop je kunt vertrouwen.
Vervolgens zeggen we: je moet naar een andere toekomst. Maar jij weet niet precies hoe je daar je geld verdient, wie je producten afneemt en van welke partijen je afhankelijk wordt. Bovendien hebben veel partijen enorm geïnvesteerd in het bestaande systeem. Het is dus logisch dat zo’n systeem zichzelf probeert in stand te houden.
Tegelijkertijd kijken we te weinig naar wat er in dat bestaande systeem níét goed gaat. Ook zonder transitie verdwijnen iedere 25 jaar de helft van het aantal agrarische bedrijven. Het model vraagt voortdurend om groter, efficiënter en meer volume. Daar zijn Nederlandse boeren ontzettend goed in geworden. Maar ook dat model heeft een prijs.’
Jij werkt juist tussen boeren en overheid. Wat zie je daar gebeuren?
‘Een merkwaardige paradox. De overheid jaagt de transitie aan met beleid, subsidies en regelingen, maar is vervolgens vaak ook de eerste partij die die verandering in de weg zit.
Ik werk met boeren die vaak al stappen hebben gezet en vooruit willen kunnen kijken. Maar met de plannen die dat mogelijk moeten maken, lopen ze geregeld vast in een systeem dat voor de oude werkelijkheid is gemaakt.
Dat is ergens logisch. Systemen zijn ontworpen om stabiliteit te creëren. Maar als je naar iets fundamenteel anders wilt, moet je dus ook nadenken over hoe het systeem zelf kan veranderen.’
"Bij complexe vraagstukken moet niet je eigen organisatie het organiserende principe zijn"
En daar schiet onze manier van beleid maken te kort?
‘Ja. Een transitie kun je niet aanpakken alsof je beleid maakt, dat overdraagt aan de uitvoering en vervolgens klaar bent. Je weet vooraf niet precies waar je uitkomt.
Je kunt met de kennis van dat moment alleen een zo verstandig mogelijke stap zetten. Vervolgens moet je kijken: wat gebeurt er? Wat leren we? En wat betekent dat voor onze volgende stap?
Daarvoor heb je lerende organisaties nodig. Wat een boer op zijn erf tegenkomt, moet veel sneller terechtkomen bij beleidsmakers. En wat daar wordt geleerd, moet ook kunnen leiden tot aanpassing van beleid.
Nu gebeurt dat te weinig. We hebben wel pilots, experimenten en allerlei contacten tussen beleid en uitvoering. Maar echt georganiseerd leren is nog een ondergeschoven kindje.’
Wat ontbreekt er dan precies?
‘Een leeragenda en een leerstructuur. Mensen uit de uitvoering, beleidsmakers, gemeenten, provincies en departementen zouden voortdurend met elkaar moeten onderzoeken: wat zien we gebeuren, waarom gebeurt dit en wat moeten we daardoor anders doen?
Een pilot is nu nog te vaak aanleiding voor een volgende pilot in plaats van voor bijstelling van beleid.
Bij complexe vraagstukken moet bovendien niet je eigen organisatie het organiserende principe zijn. De werkelijkheid houdt zich niet aan de grenzen van een ministerie, provincie, waterschap of gemeente. Je werkt in een netwerk dat voortdurend verandert en waarin iedereen een rol heeft te spelen.
In een stabiele wereld kun je vrij lineair werken: beleid maken, uitvoeren en evalueren. Bij een transitie heb je een circulair proces nodig: doen, leren, beleid aanpassen en opnieuw doen.’
"Ambtenaren zijn de verbinders tussen systeemwereld en leefwereld, tussen het beleid en de plek waar daadwerkelijk iets moet veranderen"
Je bent ontwerper. Wat voegt een ontwerpende manier van kijken daaraan toe?
‘Ontwerpers kunnen volgens mij goed omgaan met ambiguïteit. Ga bij Nederlandse boeren op het erf kijken en je ziet prachtige bedrijven. Daar zit enorm veel vakmanschap en liefde in. Dat is waar. Tegelijkertijd is het ook waar dat het totaal van onze landbouw een wissel trekt op natuur, bodem en water.
De kunst is om die werkelijkheden allebei vast te houden. Je kunt alleen roepen hoe radicaal alles moet veranderen, maar dan raak je mensen kwijt. Je kunt ook koste wat kost de lieve vrede bewaren, maar dan verandert er niets.
Daarom moet je goed kijken naar de mensen om wie het gaat. Wie heb ik voor me? Wat drijft iemand? Waarom doet hij wat hij doet? En als je dat begrijpt: naar welke toekomst zou die persoon kunnen verlangen? Vanuit zo’n vraag kan beweging ontstaan.’
Wat betekent dat voor de ambtenaar die aan zo’n transitie werkt?
‘Ik ken ontzettend veel ambtenaren die heel goed werk verrichten tussen binnen en buiten. Ze kennen de boeren, weten welke zorgen er spelen en zien waar energie zit. Juist die professionals komen soms klem te zitten. Ze zien wat beleid in de praktijk doet en welke ruimte nodig is, maar krijgen dat binnen hun eigen organisatie moeilijk vertaald.
Terwijl zij cruciaal zijn. Het zijn de verbinders tussen systeemwereld en leefwereld, tussen het beleid en de plek waar daadwerkelijk iets moet veranderen. Wat ik deze ambtenaren toewens, is een omgeving waarin hun ervaringen niet steeds worden beantwoord met een simpel ja of nee. Dat je af en toe boven een concreet geval gaat hangen en vraagt: wat gebeurt hier eigenlijk? Wat zegt dit over de manier waarop we ons beleid of onze regelingen hebben georganiseerd? Wat heeft deze situatie nodig?
Dan gebruik je de praktijk niet alleen om beleid uit te voeren, maar ook om het beleid beter te maken.’
"Een transitie zit vol onzekerheid; maar als je iedere onzekerheid als een risico benadert, doe je uiteindelijk niets"
Waarom lukt dat binnen overheden nog zo moeilijk?
‘Onder meer omdat we onzekerheid vaak behandelen alsof het een risico is. Dat onderscheid is belangrijk. Risico’s zijn dingen waarvan je weet dat je ze niet wilt; die probeer je te voorkomen. Onzekerheid betekent dat je nog niet weet hoe de toekomst eruitziet.
Een transitie zit vol onzekerheid. Maar als je iedere onzekerheid als een risico benadert, doe je uiteindelijk niets. Dan wacht je tot alle puzzelstukjes vanzelf op hun plaats vallen. Dat gaat niet gebeuren.
Je moet dingen gaan doen om meer te begrijpen. Vervolgens kun je op basis van wat je ontdekt intelligent bijsturen. Dat vraagt ook politieke en bestuurlijke ruimte. Die wordt op dit moment vaak als heel klein ervaren. Het vinden van meerderheden is lastig en experimenteren voelt daardoor al snel riskant. Maar juist bij complexe vraagstukken ontkom je er niet aan.’
Kun je een voorbeeld geven van hoe zo’n ontwerpende, lerende aanpak werkt?
‘Een mooi voorbeeld uit mijn boek is biobased bouwen. Compagnie New Heroes, de ontwerpstudio van Lucas De Man en Pascal Leboucq, heeft een huis gemaakt van biobased materialen. Er waren al de nodige mensen die nadachten over specifieke materialen, maar door dat huis kreeg het ineens een herkenbare vorm.
Daardoor zagen boeren en bouwers: hé, het kán dus. Maar tegelijkertijd werd meteen het volgende probleem zichtbaar. Een aannemer gaat geen biobased huizen verkopen als hij niet zeker weet dat hij materialen kan krijgen. Een boer gaat die gewassen niet verbouwen als hij niet weet of iemand ze afneemt.
Door iets concreets te maken werd dus ook duidelijk wat de volgende stap moest zijn: de keten van plant tot pand organiseren. De overheid heeft vervolgens een belangrijke bijdrage geleverd om die keten op te bouwen.
Dat is voor mij de essentie. Je hoeft niet eerst het volledige eindbeeld te kennen. Je maakt iets mogelijk, kijkt wat er gebeurt en ontdekt daardoor de volgende, betere vraag. Die probeer je te beantwoorden, waarna zich weer nieuwe vragen aandienen. Zo beweeg je door een transitie.’
"Ik herken het verlangen van boeren als ze zeggen: wij zijn de zoveelste generatie, dit geven we niet zomaar op"
We staan hier ondertussen op grond die al zeven generaties in je familie is. Is dat ook de reden dat landbouw je zo bezighoudt?
‘Ik ben een jongen van het platteland. Ik ben hier opgegroeid, heb mijn jeugd op de tractor en in de stallen doorgebracht. Ik ben lang weggeweest, maar je kunt een jongen van het platteland halen, het platteland niet uit de jongen.
Mijn broer en ik wilden deze grond graag in de familie houden. Ik herken in dat verlangen wat boeren bedoelen als ze zeggen: wij zijn de zoveelste generatie, dit geven we niet zomaar op.
We zijn hier nu een voedselbos aan het opbouwen. Ik wil het niet groter maken dan het is: ik ben een kleine hobbyboer. Maar dit initiatief confronteert me wel met dezelfde vragen die ik in mijn werk tegenkom. Dit perceel is bijvoorbeeld te groot om alles zelf op te eten, maar te klein om gemakkelijk een stabiele afzetmarkt te organiseren. Dus: hoe raken we onze producten straks kwijt? We hebben geïnvesteerd en het duurt zes, zeven jaar voordat er structurele opbrengsten zijn. Reken dat maar eens rond.
Voor mij staat lang niet zoveel op het spel als voor een boer die hiervan moet leven. Maar hier rondlopen, me zorgen maken over droogte en nadenken over afzet helpt mij wel om beter te begrijpen wat een transitie in de praktijk betekent.
Dat is uiteindelijk ook wat ik als ontwerper probeer te doen: begrijpen hoe de dingen met elkaar samenhangen, iets in beweging brengen en vervolgens kijken: wat is de volgende verstandige stap?’






