Woningbouw, energietransitie, maatschappelijk vastgoed: gemeenten staan de komende jaren voor forse investeringsopgaven. Maar geld is lang niet het enige schaarse goed. Ook uitvoeringskracht, energie-infrastructuur en uiteindelijk de ruimte om lokaal politieke keuzes te maken staan onder druk. Tijdens de Regiodag Gemeentefinanciën zochten hoogleraar Geerten Boogaard, BNG-bestuurder Peter Nijsse en wethouder Fred Ruiten naar de ruimte die gemeenten nog hebben om te investeren in morgen.
Beeld: © Jorrit Lousberg
V.l.n.r.: Dagvoorzitter Jacco Walters, Fred Ruiten, Peter Nijsse en Geerten Boogaard (9 juni 2026).
Dat gemeenten de komende jaren veel moeten investeren, behoeft nauwelijks uitleg. Een peiling onder de ruim 230 deelnemers aan de Regiodag Gemeentefinanciën zet woningbouw op één, gevolgd door de energietransitie en maatschappelijk vastgoed. Peter Nijsse, Chief Commercial Officer van BNG (gespecialiseerd in financiering van de publieke sector), is vooral getroffen door de hoge positie van de energietransitie. De opgave is enorm, constateert hij, maar gemeenten pakken die nog lang niet altijd zelf op. Terwijl juist daar volgens hem meer mogelijk is: van warmtenetten tot gemeentelijke energiebedrijven en geïntegreerde strategieën voor warmte en elektriciteit.
Wethouder Financiën Fred Ruiten ziet in Dijk en Waard hoe urgent dat wordt. De gemeente wil woningen en bedrijventerreinen ontwikkelen, maar loopt tegen de grenzen van het elektriciteitsnet aan. Verzwaring van het hoogspanningsnet laat volgens de huidige planning tot 2038 op zich wachten. Ondertussen probeert de gemeente projecten op de prioriteitenlijst te krijgen en wordt gezocht naar alternatieven, zoals energiehubs.
Het illustreert een probleem dat tijdens het gesprek steeds terugkomt: gemeenten kunnen maatschappelijke opgaven nauwelijks meer zelfstandig oplossen.
"Voor wie is een Regio Deal precies goed?"
Alles hangt met alles samen
Tien jaar geleden waren gemeentelijke investeringen overzichtelijker, stelt Nijsse. Inmiddels zijn de opgaven niet alleen groter, maar vooral complexer geworden. Een warmtenet is niet simpelweg een investering van een gemeente. Woningcorporaties, energieleveranciers, warmteproducenten en soms meerdere gemeenten moeten samenwerken om het van de grond te krijgen. Dat maakt regionale samenwerking steeds belangrijker.
Ruiten herkent dat. Wie woningen wil bouwen, moet tegenwoordig tegelijkertijd nadenken over bodem en water, energie, mobiliteit en voorzieningen. Wie een naoorlogse wijk opknapt, kijkt niet meer alleen naar riolering en openbare ruimte, maar ook naar eenzaamheid, jeugdzorg en Wmo-vraagstukken. ‘De vraagstukken zijn complexer geworden’, concludeert hij – of, zoals hij het liever formuleert: uitdagender.
Dat vraagt ook om andere vormen van organiseren. Nijsse ziet steeds meer regionale verbanden waarin gemeenten, provincies, woningcorporaties, zorginstellingen, bedrijven en Rijk samen proberen te investeren. Dat is volgens hem onvermijdelijk: bij veel grote transities heeft geen enkele partij alle stukjes van de puzzel in handen.
Maar juist daar plaatst Geerten Boogaard, hoogleraar Decentrale Overheden aan de Universiteit Leiden, een kanttekening. Regionale samenwerking kan nodig zijn om maatschappelijke opgaven op te lossen, maar wie bepaalt vervolgens welke keuzes worden gemaakt? En hoe leg je die uit aan de gemeenschap die er de gevolgen van ervaart?
"Laat een gemeente ook profiteren van de energie die op haar grondgebied wordt geproduceerd"
Voor wie is de deal goed?
Die spanning ziet Boogaard bijvoorbeeld bij Regio Deals. Hij begrijpt de aantrekkingskracht ervan: overheden brengen geld en ambities bij elkaar en kunnen zo ontwikkelingen lostrekken die anders misschien niet van de grond zouden komen. Maar zo’n deal stuurt ook. Gemeenten moeten co-financieren, verantwoording afleggen en ambtelijke capaciteit inzetten. De beste mensen gaan dan naar de projecten waarvoor geld beschikbaar is. Daarmee beïnvloedt de deal indirect ook de prioriteiten van een gemeente.
‘Voor wie is de deal eigenlijk goed?’, vraagt Boogaard zich af.
Daarmee raakt hij aan een terugkerend thema in het gesprek: de ruimte voor lokale afwegingen. Op Goeree-Overflakkee, waar Boogaard na de gemeenteraadsverkiezingen informateur was, zag hij bijvoorbeeld hoe windenergie die lokaal wordt opgewekt, rechtstreeks het landelijke net op gaat, terwijl nieuwe woningen op het eiland zelf tegen beperkingen van datzelfde elektriciteitsnet kunnen aanlopen. Dat is technisch misschien verklaarbaar, maar politiek lastig uit te leggen.
Een vergelijkbare spanning ontstaat wanneer in dorpskernen zwembaden, bibliotheken of dorpshuizen onder druk staan. Uiteindelijk gaat gemeentefinanciën dan niet alleen over geld, maar ook over de vraag welke voorziening een gemeenschap belangrijk genoeg vindt om voor te betalen.
"Het is belangrijk om het onderscheid te maken tussen bekostiging en financiering"
Financiering eerder aan tafel
Geld blijft ondertussen wel degelijk een probleem. Nijsse maakt daarbij een belangrijk onderscheid tussen bekostiging en financiering. Geld lenen is voor gemeenten in beginsel goed mogelijk. De wezenlijke vraag is of zij de rente en aflossing vervolgens structureel kunnen betalen. Juist over die bekostiging bestaat onzekerheid, onder meer door de financiële druk in het sociaal domein.
Die onzekerheid kan ertoe leiden dat noodzakelijke investeringen worden uitgesteld. BNG zag de gemeentelijke investeringen de afgelopen jaren achterblijven, onder andere bij maatschappelijk vastgoed en onderwijshuisvesting. Ruiten kiest in Dijk en Waard juist bewust voor investeren. Een groeigemeente moet volgens hem scholen, infrastructuur en dorpshuizen bouwen. Maar ook daar wordt de rekening voelbaarder. Een investering van 50 miljoen euro tegen een rente van bijna vier procent betekent grofweg twee miljoen euro aan structurele rentelasten per jaar.
Volgens Nijsse is er winst te behalen door financiering eerder onderdeel te maken van het gesprek. Nu wordt een bank volgens hem nog te vaak gebeld als het plan al klaar is en alleen de lening nog moet worden geregeld. Terwijl eerder meedenken andere constructies kan opleveren, bijvoorbeeld voor scholen, sportaccommodaties en warmtenetten. ‘We hebben geen toverdoos’, relativeert hij. Goedkoper wordt een investering daardoor niet vanzelf. Maar ze kan wel beter financierbaar worden.
"Wie betaalt, gaat ook bepalen"
Geld en zeggenschap
Aan het einde van het panel verschuift het gesprek bijna vanzelf van investeringen naar de financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten.
Boogaard waarschuwt ervoor die verhouding uitsluitend te benaderen als een rekensom: hoeveel kost een rijkstaak precies en welk bedrag moet daar tegenover staan? Hoe preciezer gemeenten hun kosten bij het Rijk declareren, hoe groter volgens hem het risico dat het Rijk ook preciezer wil voorschrijven waaraan dat geld wordt besteed. ‘Wie betaalt, gaat ook bepalen’, vat hij de dynamiek samen. Meer lokale vrijheid vraagt volgens hem daarom niet alleen om betere bekostiging, maar vooral om een gelijkwaardiger verhouding tussen bestuurslagen.
Ruiten beziet hetzelfde vraagstuk vanuit de gemeentelijke praktijk. Gemeenten hebben veel wettelijke taken en relatief weinig eigen inkomsten. Tegelijkertijd moeten wethouders een structureel sluitende begroting presenteren. Dat kan een merkwaardige werkelijkheid opleveren: gemeenten snijden en schuiven totdat de begroting sluit, waarna vanuit Den Haag wordt geconstateerd dat het financiële probleem kennelijk wel meevalt.
Daarmee eindigt het gesprek dicht bij het thema waarmee de Regiodag begon. Investeren in morgen vraagt om een balans tussen financiële houdbaarheid en maatschappelijke ambitie. Maar die balans blijkt niet alleen op de begroting te worden gevonden.
Gemeenten hebben geld nodig, maar ook uitvoeringskracht, samenwerkingspartners en ruimte – niet alleen op het elektriciteitsnet, maar ook om zelf beslissingen te nemen. Ze moeten regionaal samenwerken zonder de lokale democratie uit het oog te verliezen. En ze hebben financiële zekerheid nodig zonder dat iedere euro vooraf wordt dichtgeregeld.
Misschien is dat wel de lastigste investeringsopgave van allemaal: niet alleen voldoende middelen organiseren om maatschappelijke ambities waar te maken, maar ook voldoende ruimte behouden om lokaal te kunnen bepalen welke ambities dat moeten zijn.