‘Oké, we beginnen vanmorgen met een handstand.’ Dat is misschien niet de allereerste associatie die bij je opkomt als je een ambtelijke werksessie gaat begeleiden. Zeker niet als het onderwerp van die sessie netcongestie is. Toch stelde Myrthe Sterk haar collega’s precies die vraag. Sommigen keken verschrikt op. Anderen reageerden enthousiast. Weer anderen bleven zitten en wachtten af wat de rest zou doen. Een interview over de ontwerpende overheid. Die Myrthe Sterk vorm aan het geven is in de gemeente Sittard-Geleen. Waarbij allerhande social design principes gebruikt worden.

Beeld: © EMMA / Laura Iwuchukwu

Myrthe Sterk: ‘Mensen hoeven het niet overal mee eens te zijn. Maar als ze begrijpen hoe iets is ontstaan en zich gehoord voelen, ontstaat er wel meer begrip.’

Terug naar de handstand. En de reacties, die varieerden van ‘leuk’ tot stilletjes in een hoekje wegkruipen. Precies daar ging het Sterk om. ‘Ik vroeg aan een collega: waarom zeg jij meteen ja? En aan een ander: waarom blijf jij zitten? Wat gebeurt er in je hoofd?’ En, let op, zegt Sterk: die handstand, dat is geen energizer, geen vrolijke werkvorm om mensen wakker te schudden. Het was een ontworpen interventie. Een slimme manier om in één oogopslag zichtbaar te maken dat mensen heel verschillend kunnen reageren op één en dezelfde vraag. Of situatie.

Wat er bij Sterk achter zit, dat legt ze haarscherp uit: ‘wij zeggen als overheid heel vaak: iedereen is onze doelgroep. Dat was bij het team dat over netcongestie aan de slag gaat, ook zo. En dat klopt natuurlijk ook: we moeten iedereen bereiken.’

Maar dat betekent nog niet, dat ook iedereen op dezelfde manier te bereiken is. Vandaar die handstand: ‘als ik tegen een groep zeg: doe een handstand, dan reageert niet iedereen hetzelfde. De één heeft vertrouwen, dat ze het wel kan.’ Een ander weet zelfs hoe het moet. Maar de meeste mensen weten bij wijze van spreken niet, hoe je aan een handstand moet beginnen. Datzelfde gaat op als je het over netcongestie hebt: ‘Als iemand niet weet wat het betekent, hoe kan diegene dan in actie komen?"

Precies dit is wat Sterk bedoelt, als ze het over een ontwerpende overheid heeft. Het perspectief van de handstand, zorgt ervoor dat je als overheid niet alleen in het behalen van beleidsdoelen denkt, maar vooral ook onderzoekt wat er gebeurt tussen mensen. Dat je achterhaalt wat woorden, beelden en gedragingen van en voor mensen betekenen.

Zo werkt Sterk aan een overheid die situaties ontwerpt waarin ambtenaren, inwoners en maatschappelijke partners elkaar beter leren begrijpen.

De functie die nog niet bestond

Of ze altijd al conceptontwikkelaar heeft willen worden. Sterk schiet in de lach. En nee, ze heeft niet altijd al conceptontwikkelaar willen worden. Zegt ze. Sterker nog, conceptontwikkelaar, dat is bij de gemeente Sittard-Geleen zeker geen standaardfunctie. Ze bedacht de functie zelf. Eerder werkte ze vier jaar als beleidsmedewerker sport, gezondheid en jeugd.

‘Dat was heel leuk, maar ik merkte dat ik veel behoefte had aan creativiteit. Creatieve oplossingen kunnen echt helpen, maar daar was in mijn beleidsfunctie niet altijd ruimte voor.’ Tegelijkertijd vroegen collega’s haar steeds vaker om even ergens over mee te denken. Over gezondheid, over communicatie, over de energietransitie, over de manier waarop medewerkers worden meegenomen in veranderingen binnen de organisatie. Dat gaat Sterk goed af.

Maar op een gegeven moment zat zowel haar hoofd als haar agenda vol. En begon het nadenken over een functie, waarin ze van echte meerwaarde voor de gemeente kon zijn. Samen met haar manager ontstond zo de functie van conceptontwikkelaar. ‘Ik dacht: het moet nog wel ook een beetje gemeentelijk klinken. Als je ‘artist in residence’ zegt, dan raak je mensen misschien onnodig kwijt.’

"Voor mij is de ontwerpende overheid op zoek gaan naar verbinding en de ander ook mee laten ontwerpen"

De functie is een pilot. Waarvoor twee jaar is uitgetrokken. Dat past bij Sterk. Ze noemt graag dingen een experiment, omdat dat ruimte schept. ‘Als je zegt: we gaan dit een maand proberen, dan voelen mensen dat er nog iets te herstellen valt. Dat maakt het gemakkelijker om aan iets nieuws te beginnen. Als het niet goed bevalt, dan kan je ook gewoon terug.’

Zo’n manier van werken, dat is ook zeker weer niet vrijblijvend, benadrukt ze. Experimenteren betekent niet dat alles zomaar mag. ‘Je moet er wel een conclusie aan verbinden. Die conclusie mag ook zijn: dit was vreselijk, dit moeten we nooit meer doen. Maar je moet kunnen uitleggen wat je hebt geleerd.’

Beeld: © EMMA / Laura Iwuchukwu

Myrthe Sterk bedacht binnen de gemeente Sittard-Geleen haar eigen functie als conceptontwikkelaar.

Eerst de vraag achter de vraag

Wat doet een conceptontwikkelaar dan concreet? Sterk omschrijft haar rol als iemand die verbinding maakt door een ontwerpende aanpak in te zetten. Tussen beleidsvelden, tussen collega’s, tussen gemeente en inwoners. Vaak begint dat bij de vraag achter de vraag. "Collega’s komen bijvoorbeeld met: we moeten iets met energietransitie. Dan ga ik eerst onderzoeken: wat is nou belangrijk? Waar zit de meeste impact? Wat bedoelen we eigenlijk als we dit zeggen?"

Ze stelt naar eigen zeggen veel ‘domme vragen.’

Juist omdat ambtenaren soms gewend raken aan hun eigen (beleids)taal. Een beleidsstuk kan voor collega’s logisch klinken, terwijl inwoners (en soms ook minder in het beleidsdossier ingevoerde collega’s) al afhaken bij de eerste alinea. Sterk probeert die vanzelfsprekendheden open te breken. Soms door te tekenen. Soms door een expositie te maken. Soms door mensen iets uit een tijdschrift te laten scheuren. En soms dus ook door ze een handstand te laten doen.

Beleid, dat maak je samen. De ontwerpende overheid staat voor Sterk voor een overheid waar mensen echte inbreng kunnen hebben. Daarbij komen social design principes om de hoek kijken. Als een gerichte manier van creatief werken: door sociale situaties te ontwerpen waarin mensen kunnen bijdragen, reageren, twijfelen, aanvullen en zich uiteindelijk herkennen in ‘dat wat ontstaat’: ‘Voor mij is de ontwerpende overheid op zoek gaan naar verbinding en de ander ook mee laten ontwerpen.’

Een boom die pas compleet werd door de vogels

Een goed voorbeeld van echte inbreng, is de manier waarop de gemeente Sittard-Geleen aan de slag is gegaan met het opstellen van de inclusievisie. Aanvankelijk wilde de gemeente die visie zelf (intern) opstellen. Werd er even over gedacht om ondersteuning aan een extern bureau te vragen.

Inclusie is een gevoelig onderwerp, zegt Sterk. ‘Iedereen vindt er iets van. Dat maakt het spannend.’ Toch stelde ze voor om het anders aan te pakken. En wel door een maand lang te proberen om de concept-visie samen met inwoners te maken. In de wetenschap, dat als daar onvoldoende uit zou komen, er meer dan voldoende tijd zou zijn om bij te sturen. De verantwoordelijke collega’s hadden het lef dit experiment aan te gaan.

In dat ontwerpproces met inwoners ontstond de metafoor van een boom. Een inclusieboom. Een boom die wortels kreeg, in de bodem geplant werd, van takken en bladeren voorzien werd. Die in weer en wind en met zon en regen trots zou staan. Elk nieuw onderdeel van die boom hielp om een abstract gesprek over inclusie steeds concreter te maken. Bij de metafoor van de bodem: wat is de wettelijke basis? En: wat voedt ons? Toen er nieuwe takken aan de boom verschenen, was het: waar willen we naartoe groeien? Een manier van werken, die veel opleverde. Logisch, vindt Sterk: ‘als je aan mensen vraagt: wat is uw visie op inclusie, dan krijg je niet zomaar antwoord. Maar als je vraagt: wat hoort er aan deze wortel, dan kun je ineens een goed gesprek voeren.’

Terwijl de boom al flink gegroeid was, kwam tijdens een sessie een inwoner naar haar toe. Die zei: ‘Myrthe, ik vind het allemaal mooi, maar waar zijn wij als inwoners?’ Sterk herinnert zich dat moment goed. ‘Ik dacht: ja, natuurlijk.’ Zo belandden vogels in de boom. Vogels die symbool staan voor de inwoners. Die overal hun plek konden vinden. Op elke tak, bij elk blad, bij elk project. Dat beeld paste precies bij de visie die gaandeweg over inclusie ontstond: de gemeente bepaalt niet vooraf welk aanbod bij welke inwoner hoort; inwoners moeten zelf mee kunnen bepalen waar zij behoefte aan hebben.

‘Dat zou ik dus zelf nooit bedacht hebben,’ zegt Sterk. Alleen al door één zo’n opmerking werd het hele verhaal sterker. Dat is dan ook gelijk de waarde van de ontwerpende aanpak. Dat zorgt ervoor dat het plan beter wordt, doordat anderen er betekenis aan toevoegen. Met als voordeel dat beleid ook meer effect heeft: ‘Mensen hoeven het niet overal mee eens te zijn. Maar als ze begrijpen hoe iets is ontstaan en zich gehoord voelen, ontstaat er wel meer begrip.’

"We schrijven alsof we de wijsheid in pacht hebben. Terwijl we natuurlijk iedere dag opnieuw ook twijfelen"

De opbrengst zit niet alleen in het eindresultaat

Wat levert zo’n aanpak dan concreet op? Sterk maakt daarbij onderscheid tussen tastbare en minder tastbare resultaten. Ze legt uit: ‘Er zijn projecten waarin inwoners letterlijk iets van terugzien in hun wijk: een bankje dat door kinderen is ontworpen, een beschilderde prullenbak, een moestuin.’ Dat zijn zichtbare resultaten. Ze doen ertoe, juist omdat mensen kunnen aanwijzen: daar heb ik aan meegedaan.

Maar voor Sterk zit de belangrijkste opbrengst misschien wel als het ware onder dat zichtbare resultaat. Natuurlijk is het mooi, als er een bankje ontworpen is. ‘Maar uiteindelijk gaat het om trots, om begrip. Om verbinding. Dat werkt langer door dan alleen dat fysieke object.’

Trots. Diezelfde redenering gaat ook op bij eigen collega’s. Sterk organiseert en begeleidt ook processen voor collega’s. Zo ontstond een expositie over gezondheid. Daarin kwamen inwoners, collega’s, kunst, video’s en beleidsinhoud samen. Collega’s die eerst niet op beeld wilden, deden uiteindelijk toch mee. Facilitaire collega’s dachten mee over schermen, panelen, brandveiligheid en praktische oplossingen. Bestuurders en managers werden onderdeel van het verhaal. ‘Op papier lijkt het misschien een expositie, maar eigenlijk ben je een organisatie aan het creëren die meebeweegt.’

Beeld: © EMMA / Laura Iwuchukwu

Door een collegevoorstel tot theatertekst te maken, brengt Myrthe Sterk de verborgen twijfel achter beleidstaal naar voren.

Ook twijfel hoort bij ambtelijk vakmanschap

De overheid mag meer twijfel laten zien. Als je Sterk hoort praten, dan merk je dat haar bevlogenheid steeds gepaard gaat met zelfonderzoek. Ze gelooft in experimenteren, plezier en vrijheid, maar voelt tegelijkertijd een grote verantwoordelijkheid. ‘Ik vraag me vaak af: mag ik dit doen? Is dit geen onzin? Is dit functioneel?’

Die gevoelde spanning raakt aan een bredere vraag over ambtelijk vakmanschap. Hoeveel ruimte is er binnen de overheid voor twijfel, emotie en intuïtief durven zoeken? Ambtenaren worden vaak geacht stukken te schrijven alsof ze alles al weten, zegt Sterk. Terwijl in werkelijkheid beleid ook gemaakt wordt op basis van verwachtingen, van inschattingen.

Zelf werkt ze nu aan een theaterproject. Met haar opleidingsbudget, dat ze kreeg naar aanleiding van haar plek in de top drie van Jonge Ambtenaar van het Jaar, koos ze niet voor een klassieke opleiding. Ze ging aan de slag met theater. Omdat theater haar helpt om anders te kijken naar ambtelijke rollen, zichtbaarheid en kwetsbaarheid.

Daarvoor herschreef ze een oud collegevoorstel – van eigen hand. Ze anonimiseerde het stuk en noteerde achter elke zin wat ze destijds eigenlijk dacht. Bij een zin over het bereiken van 1.300 inwoners schreef ze bijvoorbeeld dat ze niet precies wist waar dat getal op gebaseerd is, maar dat het wel indrukwekkend en veel klonk. Niet om het werk belachelijk te maken, maar om zichtbaar te maken hoeveel impliciete afwegingen, twijfels en hoop er in ambtelijke teksten verborgen kunnen zitten: ‘We schrijven alsof we de wijsheid in pacht hebben. Terwijl we natuurlijk iedere dag opnieuw ook twijfelen.’

Begin klein en begin bij de eigen organisatie

De ontwerpende overheid gaat voor Sterk dus niet alleen over inwonersparticipatie. Ze vindt het minstens zo belangrijk dat gemeenten intern leren om anders te werken. ‘We moeten niet alleen focussen op wat er buiten gebeurt. Daar doe je het uiteindelijk voor, maar zolang je de interne organisatie niet sterker maakt, blijf je hetzelfde doen.’

Wat zou Sterk andere gemeenten aanraden? Haar eerste advies is eenvoudig: begin klein. Noem het een experiment. Maak de ruimte behapbaar. Als je alles meteen groot maakt, wordt het spannend. Een experiment geeft mensen toestemming om mee te doen.

Haar tweede advies: begin niet met de vorm. Een expositie, boom, handstand of theaterstuk kan helpen, maar alleen als de vorm voortkomt uit de vraag. "De vorm is nooit het doel. Die hangt af van wie er meedoet en welke input je krijgt."

Een derde: begin niet meteen met een grote participatieaanpak, een mooie campagne of een strak ontworpen proces voor inwoners. Kijk eerst ook naar de eigen organisatie. Dat is misschien wel een van haar belangrijkste boodschappen aan andere gemeenten. Kennen collega’s elkaar? Begrijpen beleidsvelden elkaars taal? Is er ruimte om te proberen, te mislukken en bij te sturen? Durven managers en bestuurders het proces te steunen, ook als de uitkomst nog niet vaststaat?

En misschien het belangrijkste: maak participatie niet tot een vinkje. Een ontwerpende aanpak is niet hetzelfde als inwoners één keer om reactie vragen op een plan dat eigenlijk al klaar is. Het vraagt dat je ruimte laat voor iets wat je zelf nog niet had bedacht. Een ontwerpende overheid vraagt om durf. Omdat bestuurders én ambtenaren moeten durven kiezen voor een proces waarvan de uitkomst nog niet volledig vaststaat.

Daar hoort ook bij dat gemeenten eerlijker mogen zijn over onzekerheid. Niet alles hoeft vooraf dichtgetimmerd te zijn. Niet elke mislukking is een ramp. "Wij willen vaak dat alles lukt, maar daardoor kaderen we het zo in dat er geen groei meer in zit."

Sterk weet dat dit schuurt met de klassieke logica van de overheid. Die logica is er niet voor niets: betrouwbaarheid, zorgvuldigheid en rechtsgelijkheid zijn essentieel. Maar een overheid die alleen maar zekerheden produceert, loopt volgens haar het risico minder goed aan te sluiten bij de werkelijkheid van inwoners.

De ontwerpende overheid zoekt daarom naar een nieuwe balans. Tussen structuur en intuïtie. Tussen verantwoordelijkheid nemen en experimenten toestaan. Tussen beleidstaal en emotie laten zien.

Daarmee is de handstand uiteindelijk veel meer dan een werkvorm. Het is een kleine oefening, die symbool staat voor een grotere beweging. Voor een overheid die niet alleen wil uitdragen en uitventen, maar ook kan luisteren, samen durft te ontwerpen en samen wil leren.