Bewonersinitiatieven zijn allang niet meer alleen de sympathieke aanvulling op overheidsbeleid. Op het We Doen Het Samen-festival in Utrecht van 2026 werd zichtbaar hoe gemeenschapskracht inmiddels een volwassen beweging is, met eigen kennis, netwerken, fondsen én vragen aan de overheid. ‘De vraag is niet langer hoe inwoners inbreng kunnen leveren voor beleid, maar hoe beleid kan bijdragen aan wat inwoners zélf al in beweging zetten.’
Beeld: © Lillian van Rooij
Het WDHS-festival 2026 laat zien: rond gemeenschapskracht ontstaat een steeds steviger ecosysteem van bewoners, overheden, fondsen, kennisinstellingen en ondersteuningsorganisaties.
Auteurs: Lotte Breunesse & Joris Jenster
Wie op vrijdag 5 juni de Bibliotheek Neude in Utrecht binnenloopt, belandt niet meteen op een congres, maar op een Buurtplein. Tussen de kraampjes vertellen bewonersinitiatieven uit het hele land - aan elkaar en aan de belangstellende ambtenaren aldaar - wat zij in hun dorp, wijk of buurt voor elkaar krijgen. Op het plein staan initiatieven uit alle twaalf provincies, die meedingen naar de winst van de Kern met Pit-competitie. Bij het aanmelden krijgt elke bezoeker een roze pit, waarmee een stem kan worden uitgebracht op een favoriet initiatief.
Dat beeld zet meteen de toon voor de dag. Hier gaat het niet over participatie als beleidsinstrument, maar over mensen die zelf publieke waarde organiseren. Binnen, in de grote hal die voor de gelegenheid is omgedoopt tot Buurtplein, vinden bewoners, initiatiefnemers, ambtenaren, fondsen, onderzoekers en bestuurders elkaar rondom thema’s als gelijkwaardige samenwerking, financiering en bouwen aan gemeenschapskracht.
Wie hier rondloopt, ziet geen verzameling losse bewonersprojecten, maar een zelforganiserende beweging. Maar wat vraagt het van de overheid als bewoners niet langer alleen participeren in beleid, maar zelf publieke waarde organiseren?
"Wie wil aansluiten bij bewonersinitiatieven, moet vaak meer doen dan een subsidie verstrekken"
‘Overheidsparticipatie is werk in uitvoering’
In de sessie over de VNG-handreiking Overheidsparticipatie krijgt die omkering gestalte en is de vraag hoe beleid, regels en ambtelijke organisaties kunnen aansluiten bij wat inwoners zelf beginnen.
Dat klinkt als een subtiel verschil, maar raakt aan een fundamentele verschuiving in de rol van de overheid. Bewonersinitiatieven worden niet langer alleen gezien als partijen die mee mogen denken over publieke vraagstukken. Steeds vaker organiseren zij zelf oplossingen, ontmoetingsplekken en voorzieningen. De vraag is dan niet hoe de overheid hen kan laten participeren, maar hoe zij zich leert verhouden tot wat al in de samenleving ontstaat.
“Overheidsparticipatie is werk in uitvoering”, zegt Frank Speel bij de opening van de sessie. De handreiking die de VNG ontwikkelde, moet gemeenten helpen om die omslag in de praktijk vorm te geven. Want wie wil aansluiten bij bewonersinitiatieven, moet vaak meer doen dan een subsidie verstrekken. Soms gaat het om netwerk, kennis of bestuurlijke rugdekking. Soms om ruimte in regels of procedures. En soms simpelweg om een ambtenaar die niet begint met de vraag wat er niet kan, maar onderzoekt wat nodig is om een initiatief verder te brengen. “We moeten onze blik op deze vraag radicaal veranderen: inwoners zijn niet alleen gebruikers van publieke voorzieningen, maar ook producenten van publieke waarde. De vraag is hoe gemeenten zich daartoe leren verhouden.”
"Steeds meer gemeenten experimenteren met participatieafdelingen, initiatiefcoaches of integrale teams die bewonersinitiatieven helpen"
De vraag is vervolgens hoe die nieuwe rolopvatting duurzaam onderdeel wordt van gemeentelijk handelen. Nu zijn het nog vaak wethouders met durf of bevlogen ambtenaren die ruimte maken voor bewonersinitiatieven. Maar wie gemeenschapskracht serieus neemt, kan haar niet afhankelijk laten zijn van individuele enthousiastelingen. Volgens Speel vraagt overheidsparticipatie om een plek in de ambtelijke organisatie zelf. Steeds meer gemeenten experimenteren daarom met participatieafdelingen, initiatiefcoaches of integrale teams die bewonersinitiatieven helpen hun weg te vinden door de gemeentelijke organisatie.
Beeld: © Lillian van Rooij
De gemeente Teylingen werkt met een contactfunctionaris: iemand die zich inzet als schakel tussen leef- en systeemwereld, wanneer het onduidelijk is bij welke afdeling een initiatief terecht kan voor vragen.
Muren wegnemen
Want daar zit een belangrijk spanningsveld: bewonersinitiatieven raken vaak aan veel beleidsterreinen tegelijkertijd. Zo raakt een buurthuis bijvoorbeeld aan zorg, veiligheid, energie, bestaanszekerheid en leefbaarheid tegelijk. De overheid is tegelijkertijd juist vaak georganiseerd in afdelingen met elk hun eigen budget, aanbestedingsregels en verantwoordingslijnen. De verkokering binnen gemeentes zorgt ervoor dat er niet één iemand verantwoordelijk is, en het vaak niet duidelijk is uit welk potje de financiële ondersteuning zou moeten komen. Initiatieven vallen hierdoor nog vaak tussen wal en schip en komen niet verder.
De gemeente Teylingen heeft, om vastlopen te voorkomen, de contactfunctionaris: iemand die zich inzet als schakel tussen de leef- en systeemwereld en muren wegneemt. Wanneer het onduidelijk is bij wie een initiatief terecht kan met zijn vragen, kan er contact opgenomen worden met deze contactfunctionarissen. Dat kan een wereld van verschil maken, weet initiatiefnemer Carine van Kesteren. Samen met een aantal buren heeft zij een plan bedacht om de buurt groener te maken. Niet alleen om een prettigere woonomgeving te creëren, maar vooral ook om elkaar beter te leren kennen. Hierover vertelt ze in een workshop waarbij wordt ingezoomd op hoe een gemeente goed samenwerkt met burgerinitiatieven.
"Gelijkwaardigheid klinkt groot, maar begint vaak klein: bij een telefoonnummer of een ambtenaar die mee wil denken"
Cultuurverandering is spannend
Toen hun plan bij de gemeente werd ingediend, kregen de collega’s van contactfunctionaris Jamie de Ridder het Spaans benauwd, vertelt ze: “Het ging niet alleen over groen, maar had ook een sociaal aspect. Wat moeten we daar mee?”
Om het antwoord op die vraag te vinden, gaat De Ridder op zoek naar de collega’s van gemeente Teylingen die aan het plan raakten. Met alle disciplines aan tafel wordt vervolgens in kaart gebracht wat er mogelijk is en hoe dat het beste aangepakt kan worden. Dat bleek, tot verbazing van Van Kesteren en haar buren, een hele hoop: “Ik had niet verwacht dat er zoveel vanuit de gemeente zou kunnen.”
Een aantal jaar verder is er een hechte buurtgemeenschap ontstaan, waarbij mensen niet alleen naar elkaar zwaaien op oudjaarsavond, maar elkaar omhelzen om een gelukkig nieuwjaar te wensen. Het groen fungeerde hier als aanleiding, maar het werkelijke resultaat zat in de relaties die ontstonden. De gemeente organiseerde dat niet - zij hielp vooral mee om de omstandigheden te creëren waarin bewoners het zelf konden doen.
De overkoepelende blik van de contactfunctionaris is daarbij een belangrijke factor. De Ridder ziet dat de cultuurverandering die nodig is voor de volledige benutting van bewonersinitiatieven spannend is voor ambtenaren. “Regels kunnen veranderen, maar dat kost tijd.”
In Zaandam heeft de gemeente nog geen contactfunctionaris, wat maakt dat een van de deelnemers aan de workshop maar moeilijk vooruitkomt met zijn bewonersinitiatief voor volkstuinen. Hij richt zich tot De Ridder voor hulp: “Kan je aanstaande maandag om 15.00 uur?” vraagt hij, half grappend, half gemeend. Een duidelijk signaal dat er inderdaad nog werk aan de winkel is om overheidsparticipatie te optimaliseren. ‘Gelijkwaardigheid’ klinkt groot, maar blijkt in de praktijk vaak klein te beginnen: bij een telefoonnummer, een ambtenaar die meedenkt, een bestuurder die ruimte geeft, en afspraken die langer meegaan dan één politieke termijn.
"Gemeenschapskracht vraagt om erkenning die past bij de eigen logica: niet elke waarde laat zich vastleggen in meetbare indicatoren"
Beeld: © Lillian van Rooij
Minister Pieter Heerma (BZK): ‘Het Gemeenschapsfonds kan dienen als vliegwiel voor burgerinitiatieven, waarmee iets opgestart kan worden dat niet stopt als de financiering ophoudt.’
Gemeenschapsfonds als vliegwiel
Nu gemeenschapskracht steeds zichtbaarder wordt, groeit ook de vraag hoe zij duurzaam ondersteund kan worden zonder haar logica kwijt te raken. Het Gemeenschapsfonds is één van de antwoorden die momenteel wordt verkend. Als afsluiting van het festival komt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Pieter Heerma, toelichting geven over hoe hij de invulling van dit fonds voor zich ziet.
Belangrijk is volgens hem ten eerste dat niet alles van bovenaf dichtgeregeld wordt, waardoor alleen grote, georganiseerde partijen kans maken op de middelen uit het fonds. “Het is juist bedoeld voor die kleine ontmoetingsplekken op lokaal niveau. Daarnaast hoop ik dat het Gemeenschapsfonds kan dienen als vliegwiel voor burgerinitiatieven, waarmee iets opgestart kan worden dat blijft en niet stopt als de financiering ophoudt.” Het publiek reageert onder luid applaus.
Daarmee raakt het fonds aan een bredere uitdaging die gedurende de dag steeds terugkomt. Gemeenschapskracht vraagt om erkenning, maar ook om vormen van ondersteuning die passen bij de logica van gemeenschappen. Niet elke waarde laat zich vooraf vastleggen in indicatoren. Niet elk initiatief groeit volgens een projectplanning. En niet elk experiment slaagt. Om ervoor te zorgen dat de invulling van het fonds aansluit op de logica van gemeenschappen gaan ambtenaren het gesprek aan met initiatiefnemers en collectieven, vertelt Heerma. “We moeten voorkomen dat het een pilot wordt waarbij succes het belangrijkst is. Initiatieven ruimte geven, betekent dat experimenten ook kunnen mislukken.”
Juist daarin schuilt misschien wel de grootste opgave. Hoe organiseer je publieke steun zonder de dynamiek die je wilt versterken onbedoeld te temmen? Hoe voorkom je dat gemeenschapskracht, zodra zij serieus genomen wordt, alsnog gevangen raakt in de verantwoordings- en projectlogica waar veel initiatieven nu juist tegenaan lopen?
Volgens Heerma past die zoektocht in een bredere maatschappelijke ontwikkeling, die hij omschrijft als een coöperatieve revolutie. Rond thema's als zorg, wonen en energie organiseren inwoners zich steeds vaker zelf. Op het We Doen Het Samen-festival wordt zichtbaar dat die ontwikkeling allang niet meer bestaat uit losse initiatieven. Rond gemeenschapskracht ontstaat een steeds steviger ecosysteem van bewoners, overheden, fondsen, kennisinstellingen en ondersteuningsorganisaties.
De uitdaging verschuift daarmee. Niet langer de vraag óf bewonersinitiatieven serieus genomen moeten worden, maar hoe je dat doet. Want hoe meer gemeenschapskracht wordt erkend, hoe groter ook de verleiding om haar in bestaande systemen te trekken. De kunst is om te ondersteunen zonder over te nemen, en ruimte te maken zonder alles dicht te regelen.