Terwijl ergens in een wijk een groep bewoners een aanvraag van €5.000 zit te schrijven voor een buurttuin, gaat er weer een paar ton naar onderzoek, naar bureaus die met de beste intenties opnieuw opschrijven wat al jaren bekend is. Ofwel: kennis die grotendeels al beschikbaar is, wordt steeds opnieuw geproduceerd, terwijl de mensen die het betreft daar zelden zeggenschap over hebben. De belangrijkste vraag is, volgens Karlien van den Hout, dan ook niet zozeer wat we nog niet weten, maar waarom we zo weinig doen met wat we al weten. Karlien is initiatiefnemer van het Huis van Actief Burgerschap in Eindhoven.
Beeld: © Eigen beheer
Karlien van den Hout: ‘Zolang we blijven onderzoeken wat gemeenschappen nodig hebben zonder het ze te geven, blijft het bij rapporten, en begint het echte werk steeds weer morgen.’
Er verscheen weer een rapport. Dit keer van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur: Burgers in de pas of passend burgerschap. Zorgvuldig, genuanceerd en inhoudelijk sterk, en opnieuw staat er iets wat we inmiddels allemaal weten: gemeenschappen laten zich niet maken, alleen mogelijk maken. Mooi, helder en herkenbaar: en toch gebeurt er daarna meestal precies hetzelfde.
Er gaat weer een paar ton naar onderzoek, naar bureaus die met de beste intenties opnieuw opschrijven wat al jaren bekend is. Terwijl ergens in een wijk een groep bewoners een aanvraag van €5.000 zit te schrijven voor een buurttuin, compleet met formulieren, verantwoordingskaders, doelgroepafbakening en impactbeschrijvingen, vaak gevolgd door maanden van onzekerheid, vertraging of zelfs een afwijzing, omdat het nét niet in een programma past. Dat is geen incident meer, maar een patroon dat steeds zichtbaarder wringt. En waardoor de samenleving vastloopt.
De wrevel zit daarbij niet alleen in de bedragen, maar vooral in de verhouding. We investeren veel in het begrijpen van gemeenschappen, maar relatief weinig in het daadwerkelijk versterken ervan. En misschien nog fundamenteler: het eigenaarschap ligt verkeerd. Nog te vaak wordt er gesproken óver bewonersinitiatieven, terwijl het gesprek niet mét hen wordt gevoerd. En worden onderzoeksvragen opgesteld zonder de mensen om wie het gaat. Dat leidt niet alleen tot gemiste inzichten, maar bevestigt ook een ongelijkwaardige verhouding die we juist proberen te doorbreken.
"We investeren veel in het begrijpen van gemeenschappen, maar relatief weinig in het daadwerkelijk versterken ervan"
Wat als we het omdraaien?
Dat zie je ook terug in hoe onderzoek vaak wordt uitgevoerd: vrijwilligers en initiatiefnemers worden benaderd om hun verhaal te delen, onderzoekers schrijven dat zorgvuldig op, en de uitkomst is vervolgens dat bewonersinitiatieven belangrijk zijn en ondersteuning verdienen. Het is kennis die grotendeels al beschikbaar is, maar steeds opnieuw wordt geproduceerd, terwijl de mensen die het betreft daar zelden zeggenschap over hebben.
Tegelijkertijd zien we een groeiende ‘onderzoeksmarkt’ rond participatie en gemeenschapskracht, met stevige tarieven en herkenbare formats die opvallend vaak tot dezelfde conclusies leiden: bewonersinitiatieven zijn belangrijk, plekken doen ertoe en er is meer onderzoek nodig. Het is de moeite waard om ons af te vragen voor wie dit systeem eigenlijk het beste werkt.
Begrijp me goed: onderzoek is niet het probleem. Reflectie, nieuwe perspectieven en het zichtbaar maken van blinde vlekken zijn essentieel, maar de balans is zoekgeraakt en de richting kan anders. Wat als we het omdraaien? En veel vaker kiezen voor:
- minder onderzoek óver gemeenschappen;
- meer onderzoek mét en vanuit gemeenschappen;
- participatief actieonderzoek, gestart vanuit vragen die in de praktijk leven;
- en vooral: meer middelen direct naar bewonersinitiatieven zelf.
Dat is niet alleen rechtvaardiger, maar vaak ook effectiever, omdat de kennis daar al aanwezig is en direct in beweging kan worden gebracht.
"Nog te vaak wordt er gesproken óver bewonersinitiatieven, terwijl het gesprek niet mét hen wordt gevoerd"
Ja-ambtenaar
En als er dan toch nieuwe onderzoeksvragen nodig zijn, richt ze dan eens op een andere plek. Bijvoorbeeld op wat ‘ja-ambtenaren’ anders doen, hoe ruimte binnen systemen ontstaat en wat er gebeurt als overheden daadwerkelijk vanuit gelijkwaardigheid samenwerken met bewoners. Daar ligt nog onbekend terrein en dus ook echte meerwaarde.
Misschien is de belangrijkste vraag daarom niet zozeer wat we nog niet weten, maar waarom we zo weinig doen met wat we al weten. Hier ligt een kans, niet om opnieuw een onderzoeksprogramma te starten, maar om de verhouding te herstellen door ruimte, vertrouwen en middelen anders te organiseren.
Want zolang we blijven onderzoeken wat gemeenschappen nodig hebben zonder het ze te geven, blijft het bij rapporten, en begint het echte werk steeds weer morgen.
*Deze column is geschreven op basis van gesprekken in de Signal-groep van Huizen van Actief Burgerschap.