De rechte rug van Johan Rudolph Thorbecke

Nacht, huis, macht - dat zijn de drie kernbegrippen die onlosmakelijk met Thorbecke verbonden zijn. In de zin van: de Nacht van Thorbecke, waarin Koning Willem II als een blad aan de boom draait en Nederland zijn Grondwet schenkt. Het Huis van Thorbecke als in: het fundament van onze staatsinrichting, dat we tot op de dag van vandaag koesteren.

En de Macht van Thorbecke. Een politicus met een late roeping. Die, als hij dan eindelijk voor dat ‘vak’ kiest, ook absoluut het onderste uit de kan wil. ‘Thorbecke wil het’ is de biografie van Remieg Aerts. Geweldig geschreven. Doorwrocht onderzocht. Een beeld van Thorbecke en diens denken: tot op de dag van vandaag relevant. En misschien wel meer dan ooit. 

Thorbecke
Beeld: ©Peter Hilz / ANP
Thorbecke is nog altijd te vinden in en rond de Tweede Kamer in Den Haag.

Het kan bijna niet anders: de biografie is nauwelijks op stoom, of de ‘Grondwet’ passeert. Het allergrootste wapenfeit van de eigenzinnige, misschien wat eigengereide, rechtzinnige dwarsdenker, die Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872) was - dat is het beeld dat biograaf Remieg Aerts met ons deelt. 

Maar voor het zover is, vertelt Aerts meeslepend over het gezin Thorbecke. Over de overgrootouders en grootouders. En vooral over de lotgevallen van Thorbeckes vader: een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Of preciezer: van een heel leven lang wachten op een betrekking. Frederik Thorbecke (de vader van Rudolf) was afkomstig uit een familie van relatief rijke koopmannen in linnen, tabak en wat al niet meer. Ook bezaten ze wat grond. De voorvaderen van Thorbecke waren zeker niet onbemiddeld. Maar bij de weinig zakelijke vader van onze Thorbecke stopt dat proces. 

Dankzij ‘een leven lang lenen’ (bij alles en iedereen) kan de uiterlijke schijn lang opgehouden worden. Vader Thorbecke wijdt zich – vooral – aan de opvoeding van zijn zoon. Inclusief thuisonderwijs (heel gewoon in die tijd). Thorbecke is – hoe kan het ook anders – een vlotte leerling. In 1813 gaat hij naar de Latijnse School in Zwolle. Daar blijkt hij een geweldige leerling. 

‘In Thorbeckes visie had de staat een eigen verantwoordelijkheid en een opbouwende, positieve taak’

Een dwingende en armlastige vader

Vader Frederik Thorbecke plakt het dagelijks bestaan van de familie Thorbecke met leningen aan elkaar. Als Rudolph wil gaan studeren, is feitelijk niet alleen het geld, maar vooral zo’n beetje alle welwillendheid van geldschieters op. Uiteindelijk weet vader Thorbecke privéonderwijs in Amsterdam te regelen voor zijn zoon.

Tegen een schijntje is dominee Georg Sartorius bereid de jonge Thorbecke onder zijn hoede te nemen. Daar moet hij zich voorbereiden op zijn Kandidaatsexamen. Als zeventienjarige vertrekt Rudolf naar Amsterdam. En begint hij langzamerhand afstand te nemen van zijn dwingende vader. Hij zal drie jaar in Amsterdam blijven.


Als hij in Leiden aan de universiteit gaat studeren zijn de financiële zorgen van zijn vader zijn inmiddels immens en Thorbecke is op zichzelf aangewezen. Hij besluit mee te doen aan academische prijsvragen. Om zo, zo denkt hij, in één klap zijn zorgen op te lossen - het winnen van een prijsvraag levert geld én (het eerste beetje) aanzien op.  Als 21-jarige wint hij zo zijn eerste beurs: het is de tweede prijsvraag waaraan hij meedoet. 

Thorbecke in the making 

Uiteindelijk vertrekt hij op zijn twintigste naar Leiden om Letteren te studeren. De Leidse Universiteit is dan (nog) de beste van Nederland. In 1819 rond hij daar zijn doctoraal af. Om daarna aan zijn dissertatie te beginnen. 
Geld én tijd om van het studentenleven te genieten, is er niet. De term ‘kamergeleerde’ zou de meest treffende zijn. Thorbecke sluit moeizaam vriendschappen. Alles is op de studie gericht. En op het zoveel mogelijk besparen op uitgaven. 

In deze jaren vormt zich ook zijn denken over het functioneren van de staat en de ordenende kracht van wetten: ‘Al bijna een kwarteeuw voor 1848 vond Thorbecke dat het recht hierin een scheppende, ordenende taak had. Het was er niet alleen om te bewaken en te reageren. In Thorbeckes visie had ook de staat, die een historische individualiteit met een eigen verantwoordelijkheid was, een opbouwende, positieve taak.’

In 1820 rondt hij dan ook zijn dissertatie af.  Zijn gedroomde betrekking weet hij echter niet te verwerven. 

‘Je zou Thorbecke als de Forrest Gump van zijn tijd kunnen zien – altijd op het juiste moment op de juiste plek’

Duitse Romantiek en Belgische Opstand

Langzamerhand raakt Thorbecke in de jaren twintig de wanhoop nabij. Ondanks al zijn briljante uiteenzettingen, komt hij nergens in aanmerking voor een academische betrekking. De slimme, briljante jurist is in sociaal opzicht wat hoekig. Wat wezensvreemd. Hij is niet ‘een van ons’. 

Uiteindelijk verwerft hij een toelage via het ministerie van OCW. Op verzoek van het ministerie gaat hij de staat van de Duitse wetenschap in kaart brengen. Een reis die hij hem in eerste instantie naar de Universiteit van Göttingen brengt. Zo vangen zijn Duitse jaren aan. In Nederland ziet men hem als die ‘donker getoonzette, door de Romantiek bedwelmde’ Thorbecke. 

Niet zo gek. Want in een – wellicht wat al te gemakkelijke vergelijking – zou je Thorbecke als de Forrest Gump van zijn tijd kunnen betitelen. Zoals wel vaker in zijn verdere leven, is Thorbecke op het juiste moment op de juiste plek. In Duitsland komt de Romantiek op. En raakt hij onder de indruk van die typisch Duitse grote denkers als Goethe en Tieck. Dankzij een verdere uitbreiding van zijn beurs maakt hij een rondreis langs de Duitse academische bibliotheken in steden als Heidelberg en München. En verblijft hij in Dresden en Berlijn. Tegelijkertijd blijft het gedroomde hoogleraarschap uit.

Op 27-jarige leeftijd wordt hij dan - eindelijk, eindelijk - hoogleraar in Gent. Met meerdere leeropdrachten waaronder Staathuishoudkunde. In deze vijf Gentse jaren is Thorbecke gelukkig. Hij moppert op zijn (niet zo slimme) omgeving, koopt wijn en boeken. Leeft daarnaast spaarzaam. Hij lost zijn eigen schulden af en ondersteunt ondertussen zijn ouders met duizend gulden per jaar. Hij bereidt zich voor op een academisch leven, begint een beetje ‘boven Jan’ te raken. 

‘Hij had vier jaren in een verheven, geestelijke roes geleefd. Nu was hij terug in de bekrompen wereld van zijn scholingsjaren’

De jacht op het hoogleraarschap

In de eerste helft van zijn leven is Thorbecke vooral geïnteresseerd in een academische carrière. Zijn droom (een droom die zijn vader altijd op hem geprojecteerd heeft) is om hoogleraar te worden. Toch lukt dat niet. In Leiden niet. Elders niet. Ook niet na zijn Duitse reizen.

Het tij lijkt even te keren als koning Willem I hem in 1822 tot hoogleraar wijsbegeerte en bibliothecaris aan de Leidse Universiteit benoemt. Die benoeming gaat echter niet door. Deels omdat Thorbecke geen bibliothecaris wil worden, en dat ronduit – op zijn Thorbeckes – laat merken. Maar ook vanwege academische twisten, waarvan de jonge Thorbecke de dupe wordt. 

Uiteindelijk vertrekt hij als privaatdocent naar het Duitse Giessen. Vaak is dat een handig opstapje naar een hoogleraarschap. Maar ook dat loopt uit op niets. Hij oriënteert zich vervolgens op het vak Geschiedenis. Om vervolgens via een vriend op een mogelijke aanstelling als hoogleraar filosofie aan de Universiteit Utrecht gewezen te worden. 

Een hoge ambtenaar van het ministerie van OCW, Van Ewijck geheten, belooft hem te introduceren. Helaas. Ook dit loopt op niets uit. Thorbecke is berooid. En vernederd. Thorbecke ‘was woedend om de vernedering die Van Ewijck hem in Utrecht had laten ondergaan. Dit was precies de situatie die hij al twee jaar probeerde te vermijden.

In Duitsland had hij Goethe, Tieck en andere grote schrijvers en geleerden van zijn tijd ontmoet en was in die kringen als zielsverwant verwelkomd. Hij had in bevlogen romantische taal gefilosofeerd over de hoogste en diepste wijsgerige kwesties. Hij had in kunstmusea meesterwerken gezien en in Berlijn avond aan avond van opera's genoten. Hij had vier jaren in een verheven, geestelijke roes geleefd. Nu was hij terug in de bekrompen wereld van zijn scholingsjaren.’

Terug in Nederland: de geboorte van de politieke Thorbecke

Dan breekt in 1830 de Belgische Opstand uit. Thorbecke is in een klap zijn positie, huis en inkomen kwijt. Hij vlucht (min of meer) naar Nederland. Uiteindelijk krijgt hij een aanstelling aan de Leidse Universiteit, in eerste instantie als buitengewoon hoogleraar. ‘Eindelijk’ zat hij dicht op de vaderlandse elite: ‘In de volgende jaren zaten de zoontjes van heel wat (oud-)ministers, bestuurders, regenten- en adelsfamilies bij Thorbecke en zijn collega’s in de bankjes.’ 

In 1834 wordt zijn aanstelling omgezet in een permanent hoogleraarschap, dat in de eerste jaren in het teken staat van het reflecteren op de Franse Revolutie (1798-1799) en het recht: hadden (andere) mogendheden een recht gehad om in te grijpen? Tegelijkertijd zag Thorbecke scherp dat de prerevolutionaire orde hersteld leek, maar dat de facto de revolutionaire verworvenheden deels bleven bestaan. In Statenstelsel legde hij een deel van zijn denken vast. 

Kroonjaar 1836: enorme energie en scheppingskracht
1836 is een jaar van mijlpalen: in persoonlijk opzicht, in zijn politieke ontwikkeling en in zijn autoriteit op het gebied van de constitutie. Vanaf dit jaar geeft hij college over de historische en vergelijkende interpretatie van de vigerende grondwet. Een onderwerp dat sinds (en door) de Belgische opstand steeds meer in een politiek licht werd bezien. Hij wint – in snel tempo – aan (internationaal) gezag. De visie van de dwarse hoogleraar wordt ook in Frankrijk en Duitsland langzamerhand op waarde geschat. 

1836 is ook in persoonlijk opzicht een fraai jaar: hij trouwt met Adelheid Solger, de dochter van een weduwe die hij op zijn Duitse reizen was tegengekomen. En met wie hij via brieven contact was blijven houden. Het leidt uiteindelijk tot een romance met de jongste dochter en mondt uit in een (zeer) gelukkig huwelijk. Er komen vijf kinderen. 

‘Was het toeval dat Thorbecke hervormer werd in de jaren waarin hij zijn gezin vormde?’ Die vraag stelt Aerts. Om die vervolgens bevestigend te beantwoorden. Het leidde tot een ‘enorme energie en scheppingskracht’. Die ervoor zorgt dat hij zich ook steeds meer voor de maatschappelijk-politieke werkelijkheid gaat interesseren.  

‘Langzaam maar gestaag verandert de wetenschappelijke beschouwer in een politiek betrokken hervormer’

De wending naar ‘de politiek’

De daadwerkelijke afscheiding van België (in 1839) zorgt dat Thorbecke steeds politieker én actiever werd. Als hij genodigd wordt om zitting te nemen in de Dubbele Kamer om de grondwetsherziening van 1840 vorm te geven, doet hij dat graag. Zijn kritiek op de hervorming van deze Grondwet levert hem weinig medestanders op. Wel wordt hij zo door steeds meer mensen gezien als de leider van de liberale monarchalen: zij die wel in het koningschap geloven, maar tegelijkertijd vinden dat het recht en de wet ertoe doen. Steeds vaker zoekt hij de publiciteit. En hij gaat voor de hervormingsgezinde Arnhemse Courant schrijven. 

In 1843 verschijnt een tweede deel van Aanteekeningen bij de Grondwet. Hij neemt dan het kiesstelsel onder de loep. Langzaam maar gestaag verandert de wetenschappelijke beschouwer in een politiek betrokken hervormer. In 1844 wordt hij (eindelijk) gekozen in de Tweede Kamer. De hoogleraar is politicus geworden. 

Als Koning Willem II dan laat doorschemeren wel oren te hebben naar een Grondwetsherziening, zet Thorbecke zich aan het werk. Het leidt tot het fameuze Voorstel der Negenmannen, waarin begrippen als ministeriële verantwoordelijkheid en vooral directe verkiezingen worden opgetekend. Het voorstel haalt het niet. Mede dankzij felle oppositie van de koning – die de Grondwet zeker niet zo radicaal wil hervormen - stemmen 34 Kamerleden tegen, en 21 voor. Een jaar later zal Thorbecke niet worden herkozen als Kamerlid.

‘In de nacht van 15 maart 1848 gaat Koning Willem II om: hij wil nu een radicale hervorming van de Grondwet steunen, en de vent die dat voor elkaar moet gaan brengen, heet Rudolph Thorbecke’

1848: de (tweede) geboorte, nu van de politicus Thorbecke

De herziening van de Grondwet blijft een thema. In de Tweede Kamer volgt het ene voorstel na het andere. Eind 1847 lijkt een flinke herziening mogelijk. Maar de belangrijkste veranderingen (zoals ministeriële verantwoordelijkheid en het directe kiesrecht, daaraan waagt men zich niet). 

In maart 1848 neemt de geschiedenis zijn eigen loop: in Parijs (net als elders in Europa) breken grote onlusten uit. Het Revolutiejaar 1848 ontleent er zijn naam aan. Marx begint zijn Communistisch Manifest niet voor niets met de fameuze woorden: ‘Ein Gespenst geht um in Europa. Das Gespenst der Kommunismus.’

Die Europese onrust én de persoonlijke troebels van de koning (die al jaren gechanteerd wordt) zorgen ervoor dat Koning Willem II in de nacht van 15 maart ‘omgaat’: hij wil nu een radicale hervorming van de Grondwet steunen. En de vent die dat voor elkaar moet gaan brengen, die heet Thorbecke, Rudolph. 

De commissie onder zijn leiding schrijft de nieuwe Grondwet, feitelijk geheel aan zijn brein ontsproten. En even lijkt het dat Thorbecke en andere hervormers meteen ook een nieuwe regering zullen vormen. Maar daarvoor is het te vroeg. 
Als Kamerlid ontfermt hij zich over de interpretatie van de nieuwe Grondwet, geeft hij invulling aan de checks & balances, die hij in de Grondwet heeft beschreven. Waarmee hij de moderne invulling van onze constitutionele monarchie vormgeeft: ja, Nederland is een koninkrijk. Waarbij de koning samen met de ministers de regering vormt. En de koning het staatshoofd van het Koninkrijk der Nederlanden is. Maar waarbij de ministers verantwoording moeten afleggen aan het parlement over het beleid van de regering.

‘Koning Willem III doet zijn best om de "geest van 1848" terug in de fles te duwen’

De politieke jaren: niets is wat het lijkt

Als Kamerlid blijft Thorbecke aan gezag winnen. ‘Thorbecke wil het’ wordt een gevleugeld begrip. Geliefd is hij echter bij weinigen. Als in 1849 Koning Willem II overlijdt en Koning Willem III aantreedt (die niks op heeft met de – afgedwongen - hervormingskoers van zijn vader), lijkt Thorbeckes rol opnieuw uitgespeeld. 

Maar niets is wat het lijkt: na enkele chicanes is het november 1949 zover. Hij wordt benoemd als minister van Binnenlandse Zaken. De eerste onder zijn gelijken. En voorzitter van de ministerraad. ‘Wacht u op onze daden!’ En die daden komen er: in hoog tempo worden de Gemeentewet, de Provinciale Wet, de Kieswet en de Wet op het recht van enquête uitgewerkt en aangenomen. 

In 1853 komt er een einde aan zijn kabinet. Koning Willem III doet zijn best om de ‘geest van 1848 terug in de fles te duwen’. Na enkele maanden ledigheid en ziekte, wordt Thorbecke weer Kamerlid. Vanaf 1853 voor het kiesdistrict Maastricht, en vanaf 1856 voor het kiesdistrict Deventer.

Het conservatieve kabinet-Van Hall bestrijdt hij tot op het bot. Of het nu over de oprichting van de staatssporen gaat of over de begroting, Thorbecke is het – bijna per definitie - oneens met Van Hall. Het drijft hem uiteindelijk tot een scherpe, nauwelijks beheerste uitval over ‘eene [...] parasitische politiek [...] omdat hij zich slingert om elk gezag, om elk incident, om elk belang, om elken volksindruk, ten einde naar boven te komen’. 
Een manier van politiek bedrijven, waar Thorbecke weinig tot niets mee op heeft. Een manier ook, die politici ook vandaag de dag wordt aangewreven.

Dat tweede (en zelfs derde) kabinet, dat komt er wel!

Op 65-jarige leeftijd keert Thorbecke terug in het centrum van de macht. Hij gaat zijn tweede kabinet leiden. Bijna als Rudolph de Eerste, zo groot is dan zijn macht en gezag. Aan dit kabinet danken we – bijvoorbeeld – het principe dat de Ministerraad met één mond spreekt: om zo de eenheid van regeringsbeleid te verbeelden. 

Zijn tweede kabinet staat vooral in het teken van Openbare Werken. De Nieuwe Waterweg, het Noordzeekanaal, maar ook de exploitatie en de uitbouw van de spoorwegen is een van de wapenfeiten. Ook de HBS (als voorloper van Havo en Atheneum) hebben we aan dit tweede kabinet te danken. 

Maar de tijd eist zijn tol. De inmiddels 68-jarige Thorbecke vindt het langzamerhand welletjes. Hij kan niet meer altijd op de blinde adoratie van zijn mede-liberalen rekenen. Thorbecke is klaar. Misschien ook wel op. Hij maakt duidelijk dat hij het rustiger aan wil gaan doen. 

Een onwaarschijnlijke (derde) comeback: Thorbecke III 

Op 73-jarige leeftijd begint Thorbecke toch aan zijn laatste kabinet. Herziening van de defensieorganisatie staat hoog op de agenda. Van legerhervorming komt echter niets terecht. Gedurende de 19 maanden dat het kabinet aan het bewind is, zijn er liefst drie ministers van Oorlog.

Vanaf december 1871 is Thorbecke geregeld afwezig vanwege ziekte. En vergadert de ministerraad vanaf mei 1872 zelfs bij hem thuis. Tijdens besprekingen over de reconstructie van het kabinet overlijdt Thorbecke op 4 juni 1872. 

Opbrengst: wat hebben we aan Thorbecke te danken? 

Thorbecke is een naam die niet voor niets nu nog doorklinkt. Veel hebben we aan deze hoogleraar, politicus, minister-president en denker te danken. Uiteraard: de Grondwet. De Gemeentewet. De Provinciewet. Het recht op enquête. 
Aan Thorbecke hebben we te danken dat we Nederland hebben gedefinieerd als constitutionele monarchie. Maar ook een aantal – nu nog geldende – principes, zoals de opvatting dat de Ministerraad met één mond spreekt: om zo de eenheid van regeringsbeleid te benadrukken. 

Evenzeer is hij verantwoordelijk voor een aantal grote infrastructurele werken, zoals de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal. En denk aan de eerste toelating van een vrouw – Aletta Jacobs – tot de HBS en tot de universiteit. Met de Armenwet geeft hij het begin van armoedebeleid in Nederland vorm. 

Thorbecke is een steile man, een man van principes. Van respect voor de Grondwet. Voor regels en procedures. Hij is wars van populisme, van parasitische politiek, die kiezers gouden bergen belooft voor een prikkie. En dat niet waarmaakt. Vandaar die Grondwet. Vandaar zijn steile uitleg van de kracht én waarde van regels en procedures. Streng, doch rechtvaardig. 

Als je hem met een hedendaagse politicus zou willen vergelijken, wie zou dat dan zijn?