Met De Boetefabriek schreef Merel van Rooy in 2024 een ijzersterk boek over hoe het verkeersboetesysteem de afgelopen tientallen jaren ontspoorde en duizenden slachtoffers maakte. De parallel met het toeslagenschandaal werd veelvuldig getrokken. Haar nieuwe, later dit jaar te verschijnen boek heeft een bredere scope en gaat over wat ze noemt: het bestraffende bestuur. Hoe heeft dat zich in de afgelopen decennia ontwikkeld en hoeveel mensen zijn daardoor buitenproportioneel gestraft en met welke gevolgen? In gesprek met Overheid van Nu gaat Van Rooy ook in op de rol van de ambtenaar. Wat moet en kun je doen als rechtvaardigheid en proportionaliteit worden opgeofferd en vooral kwetsbare mensen daardoor kapot worden gemaakt?

Beeld: © EMMA / Roderik Rotting

Merel van Rooy: ‘De overheid is gewoon ook een heel gevaarlijk, extreem krachtig apparaat – het is gezond om dat voor ogen te houden.’

Auteur: Eduard van Holst Pellekaan

Wat is in je nieuwe boek meer precies je onderzoeksvraag?

‘Kortgezegd onderzoek ik voor wie de rechtsstaat werkt en voor wie niet. En hoe dat zo gekomen is.’

Hoe kwam je hiertoe als vervolg op De Boetefabriek?

Het verhaal van De Boetefabriek gaat onder meer over hoe er onnodig mensen, bijna automatisch, werden gegijzeld – dus gevangen werden gezet.’

Dat gijzelen moet je nog even uitleggen

‘Als het hele systeem is doorlopen van boeteverhogingen, deurwaarder, et cetera, dan kan de rechter de overheid toestemming geven om jou gevangen te zetten om je te dwingen je boete te betalen. Het komt niet in plaats van de boete en het is dus ook niet letterlijk een gevangenisstraf – de straf blijft die boete. Tegenwoordig gebeurt het voor verkeersboetes nauwelijks nog, maar in de vroege jaren 2000 werden duizenden mensen per jaar gegijzeld.’

"Zoals je institutioneel racisme en seksisme hebt, bestaat er ook zoiets als institutionele klassenjustitie"

Dank je, ga door

‘Toen ik De Boetefabriek geschreven had, drong zich een conclusie op waar ik eigenlijk nog niet aandurfde. Het was namelijk niet zo dat mensen zoals ik, beleidsmakers met vaste banen in de kantoren in Den Haag, gegijzeld werden. Dat overkwam ándere mensen. Daar was vroeger een woord voor, namelijk: klassenjustitie. Het is een woord dat stamt uit de negentiende eeuw. Het geeft weer dat wetten, regels en handhaving niet zo neutraal zijn als ze ogen. Sterker nog, ze bevoordelen de groep die die regels en straffen bepaalt, en benadelen de andere groep.

Zou het kunnen dat die dynamiek er nog steeds is? Dat die zich heeft doorontwikkeld en sluimert onder het verhaal van “een rechtsstaat voor iedereen”? Die vraag bleef me achtervolgen: werkt de rechtsstaat wel voor iedereen hetzelfde?’  

Beeld: © EMMA / Roderik Rotting

‘Het gekke is: er is geen secretaris-generaal of directeur-generaal te vinden die zegt: we gaan vandaag weer eens lekker aan klassenjustitie doen.’

Wat heb je vervolgens ontdekt?

‘Dat de één veel sneller wordt gecriminaliseerd dan de ander. Het zit ‘m al in wat strafbaar is, en wat niet. Waarom is bijvoorbeeld buitenslapen in veel gemeenten strafbaar, terwijl daarmee overduidelijk niet wordt gedoeld op de senior die in het voorjaarszonnetje zijn ogen sluit? Dan criminaliseer je dus specifiek dakloze mensen. Het zit ‘m ook in wat wordt gehandhaafd. Er is in de jaren tachtig expliciet gekozen voor een focus op kleine criminaliteit. Toen kwam de digitalisering en de verzakelijking, met een focus op “efficiëntie”.

Niet de vraag: wat is het belangrijkst om te handhaven, werd leidend. Maar: wat is handhááfbaar? In korte tijd is het bestraffend bestuur opgekomen – in tien jaar kregen meer dan honderd instanties boetebevoegdheden. Als dat beboeten digitaal kon, namen ze een vlucht. Digitale opsporing is nu eenmaal makkelijker en efficiënter. Daarom zijn er duizend verkeersboetes per uur, maar slechts enkele tientallen boetes per jaar voor arbeidsuitbuiting. 

We vergeten ook vaak dat wetten en regels niet neutraal zijn. Het zijn gestolde belangen. Neem alleen al het feit dat op het niet-betalen van een verkeersboete een twee keer zo hoge straf staat als op de overtreding zelf – wiens belang wordt hiermee gediend?  

Rutte-1 kondigde een keiharde fraudeaanpak aan voor de mensen in de bijstand, maar tegelijkertijd een inspectievakantie voor het bedrijfsleven. Inspecties zoals de onderwijs- en arbeidsinspectie zijn in die jaren domweg uitgekleed. Dit soort beleid maakt dat de straffende overheid er voor de één meer is dan voor de ander. Het telt op.’ 

"Ik ben, totdat ik De Boetefabriek schreef, altijd een pragmatische ambtenaar geweest; ik wilde – heel plat – zo snel mogelijk DG worden"

Welke conclusies trek je daaruit? 

‘Het is modieus om het te hebben over “de slagvaardige overheid” en een verlangen naar minder regels en bureaucratie. Ik denk dat we daar voorzichtig mee moeten zijn. Ja, prima waar het gaat om een kapot stoplicht snel repareren. Maar laten we wel wezen: de toeslagengedupeerden, de mensen die te maken krijgen met terugvorderingen in de bijstand, de mensen die gegijzeld zijn, die hebben niet geleden onder een te slappe overheid, die hadden last van een te sterke overheid. Die hadden niet minder bureaucratie nodig, maar méér: méér checks & balances, méér rechtsbescherming.’ 

Hoe is het nu met je vertrouwen in de overheid gesteld?

‘Ik vertrouw er nog steeds op dat, als ik mijn gegevens aan de overheid geef, elke ambtenaar de intentie heeft om daar op een goede manier mee om te gaan. Maar ik heb ook een reëler en completer beeld gekregen van wat de overheid nu is. Het is gewoon ook een heel gevaarlijk, extreem krachtig apparaat. Het is gezond om dat voor ogen te houden.

Het gekke is: er is geen secretaris-generaal of directeur-generaal te vinden die zegt: we gaan vandaag weer eens lekker aan klassenjustitie doen, we gaan die arme sloebers nog eens goed te grazen nemen. Maar het bestaat en gebeurt wel. Zoals je institutioneel racisme en seksisme hebt, bestaat er ook zoiets als institutionele klassenjustitie.’

"Veel ambtenaren werken volgens de ongeschreven ‘drie keer nee-regel’: je mag drie keer ‘nee’ zeggen, maar daarna moet je ‘ja’ doen"

Je besloot De Boetefabriek met tien aanbevelingen waarvan er minimaal één is overgenomen (kosteloze betalingsherinnering). Doe je in het nieuwe boek ook aanbevelingen?

‘Jazeker, maar (lachend) die houd ik nog even voor mijzelf.’ 

Sinds 1 maart ben je – naar eigen zeggen tot je spijt – geen ambtenaar meer. Je zegt in een Linkedinpost dat je, om het verhaal goed te kunnen vertellen, ruimte nodig hebt. Waarom biedt de rijksdienst die ruimte niet? En was het niet beter geweest – met name voor de overheid zelf – als het verhaal ‘van binnenuit’ zou worden verteld? 

‘Ik heb zelf besloten om dit niet als ambtenaar te willen schrijven. Je hebt als ambtenaar een beperking van je recht op meningsuiting. Hoe dichterbij je beleidsterrein, hoe meer die geldt. Die regel dient een doel: het gaat erom dat de rollen niet te veel door elkaar moeten gaan lopen, ook voor de buitenwereld: wie gaat hier nu over, jij of de minister?

Toen ik werkte bij het Nationaal Groeifonds (een economisch investeringsfonds met 20 miljard euro ter beschikking, red.), maar publiceerde over verkeersboetebeleid, lag dat ver uit elkaar en beet het elkaar niet. Maar toen ik bij Binnenlandse Zaken werkte, en een boek wilde publiceren over voor wie de rechtsstaat werkt, lag dat dichterbij elkaar. Ik vond te dicht. 

De vraag of het beter is voor de overheid als dit soort verhalen actief worden opgespoord? Absoluut! Een vriendin van mij is slachtoffer geworden van een grote medische misser. Nadien is het team in het ziekenhuis verschillende keren bij elkaar gekomen om precies te reconstrueren wat er gebeurd is, zodat de processen kunnen worden aangepast. Dát is volwassen leren. Kom daar maar eens om.

Neem het gijzelingssysteem dat ik heb gereconstrueerd: tienduizenden mensen onnodig in de cel. Maar ik moet de eerste uitnodiging bij Justitie, CJIB, Financiën of de rechtbanken voor zo’n type ‘missersessie’ nog krijgen. Misschien heeft het plaatsgevonden zonder mij, ik hoop het – dan laat ik me graag corrigeren.’  

"Je kunt steviger weerwoord bieden met een beroep op art. 68 Grondwet: je bent grondwettelijk verplicht om de Kamer juist en volledig te informeren"

Beeld: © EMMA / Roderik Rotting

‘Toen ik De Boetefabriek geschreven had, drong zich een conclusie op waar ik eigenlijk nog niet aandurfde.’

Heb je zelf in je ambtelijke loopbaan te maken gehad met situaties die onrechtvaardig en disproportioneel waren? 

‘Ik heb zelf gelukkig niet gewerkt aan beslissingen over toeslagen, straffen of andere zaken die mensen direct in hun leven raken. Als dat wel zo was geweest, denk ik dat ik gewoon had uitgevoerd, net als de meeste collega’s.

Ik ben, totdat ik De Boetefabriek schreef, altijd een pragmatische ambtenaar geweest. Ik wilde – heel plat – zo snel mogelijk DG worden. Ik was gericht op snel carrière maken, ik vertrouwde het systeem en mijn meerderen. Tegenhangen is niet het recept voor een snelle carrière, meedenken wel. Nu, na het schrijven van De Boetefabriek, zou je aan mij wél een goede hebben, ik herken de patronen en durf op te staan.’  

Je vertelde eerder dat je in die tijd ook als ambtenaren onderling gesprekken voerde over of je als ambtenarij schandalen zoals toeslagen, Groninger gas en de boetegijzelingen, kunt voorkomen of oplossen. Wat kwam daaruit? 

‘Een schandaal herkennen is doodsimpel. De advisering en de media doen gewoon goed hun werk. Bij alle kleine stappen die leidden tot de doorgeslagen gijzelingspraktijk, waarschuwde de Raad van State. De Ombudsman zat er al heel vroeg op. De media kaartten het aan. Dus als je als ambtenaar wordt gevraagd om dat soort adviezen weg te schrijven, als financiën te dominant zijn, als je merkt dat er van je Kamervragen nauwelijks nog wat overblijft, en cruciale informatie achterblijft, dan heb je wel iets te pakken.

Het ingewikkelde begint dan pas: er is eigenlijk geen kant die je op kunt. Dat is althans de algemene overtuiging, er heerst een soort verslagenheid alsof dit bij het vak hoort. De ongeschreven ‘drie keer nee-regel’: je mag drie keer nee zeggen, maar daarna moet je ‘ja’ doen.’ 

"Ik ben hoopvol over hoe het burgerperspectief centraal wordt gezet, en over de nieuwe aandacht voor de uitvoeringspraktijk"

Als we het goed begrijpen, breek je een lans voor een ethisch scherper geaccentueerd ambtelijk vakmanschap, dat houvast kan bieden op momenten dat ‘het systeem’ handelingen van je verwacht die, zoals Tjeenk Willink wordt ingehaald in De Boetefabriek, ‘niet passen op de eigen professionele eisen die wetgeving, bestuur en rechtspraak stellen’. Vertel daar meer over. 

‘Er zijn al gronden waarop je kunt staan. Als er dus zaken uit Kamervragen worden geschrapt, of er worden zaken verkeerd gezegd in het debat naar de Tweede Kamer, kun je steviger weerwoord bieden door je te beroepen op art. 68 Grondwet: de inlichtingenplicht van ministers. Je bent namelijk grondwettelijk verplicht om de Kamer juist en volledig te informeren. Maar in de praktijk van het Kamervragen beantwoorden ben je de hele tijd op zoek naar slimmigheden om de minister uit de wind te houden.   

Een ander voorbeeld: als minister van Justitie weigerde Yesilgöz te onderzoeken of boeteverhogingen een effect hebben op de verkeersveiligheid. Je kunt je afvragen of zo’n onderzoek überhaupt een politieke keuze zou moeten zijn, of dat dat onderdeel is van ambtelijk vakmanschap, namelijk om te weten of je beleid werkt of niet. Het punt is dat je beroepen op dit soort gronden lef vraagt, en helaas vaak ook niet bevorderlijk is voor je positie. Dat zou moeten veranderen aan de cultuur.’      

Voordat we concluderen dat Nederland één grote boetefabriek aan het worden is: er zijn toch ook positieve signalen, zoals humaner incassobeleid, vroegsignalering bij geldproblemen, betere schuldhulp. Beter begrip, in ieder geval, van het dramatische effect dat het toeslagen- en boetebeleid kan hebben op kwetsbare mensen. Of moeten we ons daarvan niet te veel voorstellen in de uitwerking? 

‘Absoluut. Ik denk dat we de dieptepunten hebben gehad. Ik ben hoopvol over hoe het burgerperspectief centraal wordt gezet, de nieuwe aandacht voor de uitvoeringspraktijk, en de belangrijke verbeteringen die er zijn gedaan, zoals het sturen van betaalherinneringen.’ 

"Stil blijven is óók een morele keuze – bedenk wiens belangen je daarmee dient"

Wat is je oproep aan ambtenaren die (dreigen) terecht (te) komen in zo’n boetefabriek? 

‘Toen ik ooit het advies kreeg om stil te blijven, gaf iemand mij advies dat me moed gaf: stil blijven is óók een morele keuze – bedenk wiens belangen je daarmee dient.’