Het is midden op de dag en ik sta in de lift om naar boven te gaan. Onderweg stappen twee mannelijke collega’s in. “Zo, wat heb jij gedaan?”, vraagt er één bijdehand en lachend. “Tampons gehaald”, antwoord ik. Stilte. “Ow…” Ze kijken ongemakkelijk. Ik begin te lachen: “Ja, wel een beetje een dooddoener, hè?” “Nou”, zegt hij, “ik haal ze ook altijd voor mijn vrouw. Als het in de aanbieding is, dan bel ik haar: moet je nog wat hebben?” De lift stopt. Er stappen meer mannen in. Het gesprek bloedt dood.
Beeld: © Eigen beheer
Dewi Brinkhuis is programmasecretaris en dealmaker bij Programma Agenda Stad van het Ministerie van BZK.
Auteur: Dewi Brinkhuis
Wanneer ik ein-de-lijk bij mijn verdieping ben en de lift uitstap, denk ik terug aan mijn allereerste menstruatiegesprek. Ik ben elf jaar oud en zit in groep 8. Mijn basisschoolvrienden, Esat en Peter, willen gaan honkballen en normaliter ben ik super enthousiast en sportief, maar nu wil ik alleen maar op de grond liggen en zijn. Ze vragen wat er aan de hand is. Met het schaamrood op mijn kaken vertel ik eerlijk wat er is. “Oh nou, dan zeg je voortaan dat je een bloedneus van onder hebt en dan begrijpen we het meteen.” Beiden geven een bemoedigende glimlach en we spelen verder. Wat een openheid, creativiteit en solidariteit.
Grappig eigenlijk. Terugdenkend: toen was het geen ongemak. Het was gewoon iets dat er was.
Nu is dat wel anders. Onlangs ging ik schaatsen in Zweden. Vier dagen, tochten van zo’n 25 tot 50 km per dag. Naast de enorme stress die ik had om niet in een wak te schaatsen, wilde ik ook vooral niet menstrueren op een open vlakte bij min 3 en windkracht 3. Want menstrueren is logistiek. Het is plannen. Het is hopen dat je tas compleet is. Dat je je handen kunt wassen of ontsmetten. Het is letterlijk energie verliezen, terwijl je moet presteren op werk, sport, thuis, et cetera. Dan heb ik het nog niet eens over de reële doorlek-angst.
"Of we binnen ons ministerie iets geregeld hebben voor menstruatiearmoede. Het korte antwoord: nee"
Eind 2022 stuur ik een interne mail. Of we binnen ons ministerie iets geregeld hebben voor menstruatiearmoede. Het korte antwoord: nee. Ik leg mij erbij neer en laat het liggen. Ik hoef geen oplossingen aan te dragen voor niet-bestaande problemen binnen ons departement.
Tot ik mij realiseer dat het ongemak er hoe dan ook is. Ongeacht of je wel of niet de middelen hebt om aan je menstruatieproducten te komen.
Dus ik heb besloten om te fröbelen: kleine, praktische stappen zetten met wat er wél kan. Geen beleidsnotitie, geen werkgroep.
Gewoon een bakje.
Sinds deze week hangt er op het damestoilet een bakje met tampons en maandverband. Voor wie het nodig heeft. Zonder aanvraagformulier. Zonder schaamte.
‘Gewoon een bakje.’
Soms begint verandering niet met draagvlak, of met beleid.
Maar met een bloedneus van onder.