Bemoeizorg klinkt als bemoeizucht. Maar het ís iets geheel anders, vertelt Sonja van Rooijen, co-auteur van de handreiking Bemoeizorg, bekommer je erom, uitgebracht door kennisinstituut Movisie, en relevant voor elke gemeenteambtenaar die werkt op het snijvlak van zorg, welzijn en veiligheid. ‘Bemoeizorg is zorg waar mensen die verward of onbegrepen gedrag vertonen, zelf niet om hebben gevraagd, maar waarvan hulpverleners vinden dat die noodzakelijk is. Dat is gevoelig terrein. Maar de kern is: je bemoeit je ermee omdat deze mensen niet in de steek mogen worden gelaten.’ 

Beeld: © Movisie

Sonja van Rooijen: ‘Voor een deel van de doelgroep is er geen stabiele landing in het reguliere zorgsysteem.’

Auteur: Ton Baetens 

Bemoeizorg grijpt in bij mensen met, zoals dat in beleidstaal heet, verward of onbegrepen gedrag. Waarbij deze personen zelf in ieder geval niet het initiatief nemen om zich tot de zorg te wenden, zich er soms ook nadrukkelijk van hebben afgekeerd. Tegelijkertijd is ‘niets doen’ geen optie, omdat de situatie anders verder escaleert en zowel de betrokkene als de omgeving schade kan ondervinden.  

Hoe groot de ‘doelgroep’ van bemoeizorg is, is moeilijk te zeggen. De laatst bekende inschatting vinden we in een essay in het Tijdschrift voor Psychiatrie dateert uit 2020. Daarin gaat het om tussen de 5.000 en 20.000 mensen. Het programma ‘Landelijke aanpak verward of onbegrepen gedrag’ heeft als doelstelling om bemoeizorg wettelijk te verankeren.    

Het begrip bemoeizorg duikt in 1991 voor het eerst op. Het loopt als een rode draad door de carrière van Sonja van Rooijen, tegenwoordig projectleider en onderzoeker bij Movisie, dat zichzelf positioneert als hét kennisinstituut voor een samenhangende aanpak van sociale vraagstukken. Ze kent de zorg op haar duimpje. Voor Movisie (waar ze nu vier jaar werkt), werkte ze lange tijd bij het Trimbos-instituut, daarna bij een GGZ-organisatie in Noord-Holland Noord.  

"Bemoeizorg is voortdurend schakelen tussen ondersteunen, begrenzen en ingrijpen"

Hoe is bemoeizorg ontstaan?

Bemoeizorg is aan de ene kant een (relatief) nieuwe interventie, zo legt Van Rooijen uit. Een term die we vanaf de jaren negentig zijn gaan plakken op een outreachende en een (nogal) volhardende vorm van ondersteuning. Een vorm van zorg die in eerste aanleg gericht is op het leggen van contact. Om zo vertrouwen op te bouwen en te zoeken naar ingangen voor passende hulp. De term ‘bemoeien’ komt pas om de hoek kijken als cliënten zelf aangeven geen zorg te willen, maar de professional wel echt van mening is dat er iets moet gebeuren.  

Aan de andere kant past bemoeizorg ook goed in een lange historische ontwikkeling van de GGZ waarin ambulantisering steeds belangrijker wordt en ook in de jaren negentig een vlucht neemt.  Van Rooijen: ‘Als cliënt kon je nu zelfstandig wonen en je bestaan vormgeven met thuishulp. In een gewone buurt. Dat was er voor die tijd eigenlijk niet. Vandaag de dag is ambulante zorg voor deze groep nog steeds de heersende norm.’ 

Bemoeizorg als reactie op de besluiten van de jaren negentig

Bemoeizorg is, aldus Van Rooijen, een structurele vorm van zorg die past bij een samenleving waarin we met elkaar hebben afgesproken dat (ook) kwetsbare mensen zelfstandig kunnen, wellicht moeten, wonen. Een nobel doel. Dat recht doet aan het niet willen wegstoppen van mensen, die in veel gevallen prima in een wijk hun plek kunnen vinden.  

Dat maakt dat je als hulpverlener vaak langdurig in de leefomgeving van mensen werkt, waarbij, vertelt Van Rooijen, ‘je voortdurend aan het schakelen bent tussen ondersteunen, begrenzen en (in uiterste gevallen) ingrijpen’.  

Dat neemt niet weg, dat het ook een aantal mensen niet lukt. Van Rooijen schetst hoe ambulantisering, vermaatschappelijking van psychiatrische zorg en het afbouwen van langdurige opnames (binnen de GGZ) uiteindelijk ook hebben geleid tot nieuwe risico’s: ‘Maar veel kan voorkomen worden als er ambulant intensieve zorg geboden wordt. Nu de wachtlijsten oplopen, zie je dat er meer mensen tussen wal en schip vallen.’ 

"De handreiking is geen blauwdruk en wil laten leren van waar het wel lukt"

Wat hebben professionals aan de handreiking?

De handreiking is, zo stelt van Rooijen vast, vooral een praktijkgerichte reflectie op de voortdurende afweging die beleidsmakers van gemeenten moeten maken. Ze waarschuwt: ‘Het is nadrukkelijk geen blauwdruk!’ Want iedere context is toch weer net even anders. Bemoeizorg is en blijft maatwerk. En sterk context-afhankelijk.  

De handreiking is gebaseerd op een doorwrochte analyse van projecten en praktijken binnen de GGZ, OGGZ, de gemeentelijke en wijk-GGD. Met als expliciet doel om ‘te leren van plekken waar het wel lukt’. 

De handreiking laat goed zien dat bemoeizorg zich afspeelt op het snijvlak van zorg, welzijn en veiligheid. En daarom sterk afhankelijk is van het al dan niet goed samenwerken van gemeenten, zorgaanbieders, verzekeraars, politie, woningcorporaties en informele netwerken. Alleen al het goed organiseren van die samenwerking is een fikse klus. En als dat dan goed gaat, komt er (nog al te vaak) een moment dat het echt ingewikkeld wordt. Dat de cliënt in kwestie niet wil. Of niet helder is welke interventie nu als eerste zou moeten gebeuren.  

Van Rooijen: ‘En dan wordt het wel eens van niemand. Dat een aantal professionals of instanties zegt: ja, hier moeten wij onze handen niet aan branden. Hier trekken we onze handen vanaf.’  

Versnippering; knel in het systeem

Naast die voortdurende professionele afweging is de organisatorische en institutionele werkelijkheid van betekenis. Die het verlenen van goede bemoeizorg niet altijd goed ondersteunt. De auteurs signaleren diverse knelpunten. Denk aan: versnipperde financiering, exclusiecriteria, beperkte vervolgvoorzieningen en spanningen tussen autonomie en veiligheid.

Om bij die financiering te beginnen: ‘Je moet bemoeizorg niet alleen vanuit de Wmo willen financieren, maar ook vanuit andere (structurele) financieringsbronnen. Daar zitten we nu echt knel in het systeem, zoals ook de inspecties laatst hebben aangegeven. Ook zorgverzekeraars moeten anders naar bemoeizorg gaan kijken. Bemoeizorg moet integraal onderdeel van een langdurige behandeling kunnen zijn. En dus ook als zodanig gefinancierd worden.’  

Van Rooijen stelt scherp vast dat bemoeizorg ten onrechte wordt gezien als toeleiding naar een (regulier) zorgtraject. Volgens haar is dat een fundamentele misvatting: ‘Voor een deel van de doelgroep is er geen stabiele landing in het reguliere zorgsysteem.’

Movisie pleit daarom voor structurele financiering van bemoeizorg, voor institutionele verankering, multidisciplinaire teams en voor een duidelijke procesregie. Want: ‘In het begin is iedereen wel positief gestemd: dit kunnen we aan. (…) Totdat de steun wegvalt, of je merkt dat je niet meer de backing krijgt van andere partijen.’ 

"Bemoeizorg raakt aan fundamentele vragen over autonomie, normaliteit en het uitoefenen van macht als hulpverlener"

Waarom bemoeizorg ook controversieel kan zijn

Bemoeizorg raakt aan fundamentele vragen over autonomie, normaliteit en het uitoefenen van macht als hulpverlener. Eenvoudigweg omdat het uitgangspunt van bemoeizorg – namelijk: hulp bieden zonder een expliciete hulpvraag – nu eenmaal botst met het ideaal van zelfredzaamheid en keuzevrijheid. Als je die redenering doortrekt, zou je kunnen stellen dat bemoeizorg als paternalistisch gezien kan worden: professionals bepalen immers wat ‘goed’ is voor iemand, ook wanneer diegene dat zelf toch echt anders ziet.

Ook deze spanning past in een lange historische lijn. In studies over onmaatschappelijkheids-bestrijding laat Ali de Regt zien hoe in de vroeg twintigste eeuw (tot in de jaren zeventig) arbeidersgezinnen doelwit werden van beschavingsarbeid, waarbij de normen van de hogere klassen als maatstaf golden. Afwijkend gedrag werd niet alleen gezien als probleem, maar vooral gedefinieerd als tekort aan moraal, gebrek aan discipline en een slechte opvoeding.

De overheid en hulpverleners grepen (ook toen) in het belang van gezin en samenleving in. Met een diepgaande controle over het privéleven tot gevolg.

"Niet-bemoeien is soms ook een vorm van verwaarlozing’"

Dit verleden werkt door in hedendaagse debatten over bemoeizorg: wie bepaalt wanneer een leven ‘onhoudbaar’ is?

Van Rooijen is zich daar terdege van bewust: ‘Er moet altijd een legitimatie zijn om bemoeizorg te bieden. En die zit erin dat mensen onmachtig zijn om zelf hulp te zoeken, of echt nergens meer welkom zijn.’

Daarnaast is bemoeizorg vaak verbonden met veiligheid. Of liever: met een gevoel van onveiligheid. In de buurt en in de wijk. Meldingen over overlast of onbegrepen gedrag komen regelmatig via politie of buurtmeldpunten binnen. Daardoor kan bemoeizorg ervaren worden als verlengstuk van sociale controle, in plaats van zorg. Voor cliënten vergroot dit wellicht het wantrouwen: hulp lijkt dan niet primair gericht op ondersteuning, maar juist op het beperken en inperken van risico’s voor de omgeving.

Tegelijkertijd schuilt er een paradox in deze kritiek. Volledig vasthouden aan autonomie kan ertoe leiden dat mensen in ernstige nood aan hun lot worden overgelaten. Bemoeizorg stelt juist dat autonomie een lege huls wordt als iemand door psychische ontregeling, armoede of isolatie feitelijk geen reële keuzes meer kan maken.

Bemoeizorg moet dus altijd gelegitimeerd zijn; het mag nooit disciplineren of moraliseren, maar ‘niet-bemoeien is soms ook een vorm van verwaarlozing’, aldus Van Rooijen.

Alles overziend: negeer het niet!

Het draait dus niet om de vraag óf er bemoeienis mag zijn, maar om hoe die wordt vormgegeven. Niet als een disciplinerende correctie (zoals in de vorige eeuw). Maar juist als een relationele, zorgzame betrokkenheid die erop gericht is menselijke waardigheid te herstellen.

Werken en opereren in dat spanningsveld maakt bemoeizorg blijvend ongemakkelijk. En net zo noodzakelijk. ‘Het mag nooit bemoeizucht worden. Maar bemoei je er wel mee. Negeer het niet. Laat mensen niet in de steek.’