Leestip: Integrale samenwerking, integrale verantwoording?

Overheden werken steeds vaker opgavegericht, domeinoverstijgend, en vanuit een brede netwerksamenwerking. De meerwaarde daarvan zien de meeste partijen wel in, maar hoe leg je verantwoording af op een manier die past bij de eigen organisatie én recht doet aan de samenwerking? Het NSOB-rapport ‘Naar een nieuw fundament’ biedt handvatten.

©NSOB
Screenshot van voorpagina NSOB-rapport 'Naar een nieuw fundament'
In onze rubriek ‘Leestip’, zoomen we in op bestuurskundige concepten die een interessant perspectief op (inter)bestuurlijk samenwerken bieden. Vandaag tippen we het NSOB-rapport ‘Naar een nieuw fundament. Opgavegericht sturen, leren en verantwoorden bij de aanpak van ondermijning’, gepubliceerd in 2020.

De tip

Het rapport ‘Naar een nieuw fundament. Opgavegericht sturen, leren en verantwoorden bij de aanpak van ondermijning’, geschreven door Jorren Scherpenisse, Jorgen Schram, Ilsa de Jong en Martijn van der Steen van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB).  

Waarom moet je dit lezen?

Het rapport duikt in de zoektocht naar passende sturings- en verantwoordingsinformatie in de aanpak van ondermijning. Ondermijning is bij uitstek een onderwerp dat vraagt om interbestuurlijke samenwerking. Zoals het rapport stelt:

"Iedere partij ziet de meerwaarde van samenwerking wel in, maar hoe verantwoord je dat ook goed, op een manier die past bij de manier van werken maar die ook oog heeft voor de doelstellingen en logica’s van de eigen organisatie?" (p.17)

Hoewel het rapport ingaat op ondermijning, trekken de onderzoekers de uitkomsten breder. Dezelfde problematiek speelt immers op andere dossiers, zoals de energietransitie, de woningbouw en de jeugdhulp. Kortom: de lessen uit het rapport zijn ook buiten het ondermijningsvraagstuk relevant en toepasbaar.

Voorbeeld

Het rapport geeft verschillende voorbeelden van verantwoordingsvraagstukken die kunnen spelen bij de integrale aanpak van ondermijning. Stel: een netwerk van politie, gemeenten, OM en Belastingdienst werkt samen aan ondermijning. Wat zegt het aantal opgerolde hennepkwekerijen dan over de effectiviteit hiervan in een bepaalde wijk? En is het feit dat er meer melding wordt gemaakt van illegale bewoning een teken dat de aanpak resultaat heeft of dat het probleem groter is dan gedacht? Hoe meet je als organisatie binnen dit netwerk wat jouw bijdrage is geweest aan een bepaald effect?

Wat leert ons dit over interbestuurlijk samenwerken?

De onderzoekers bekijken opgavegericht verantwoorden vanuit drie invalshoeken: netwerken, tellen en tijd.

  • Netwerken gaat in op de vraag of verantwoording in organisaties iets anders is dan verantwoording in netwerken.
  • Tellen richt zich op de vraag hoe je een aanpak en de effecten daarvan eigenlijk kunt vatten in cijfers, metingen of woorden. Wat tel je wel en niet? Hoe interpreteer je dat vervolgens? Wie telt, hoe en wanneer?
  • Tijd, tot slot, gaat in op de invloed van tijd op de verantwoording van de opgave. Zijn de effecten eigenlijk wel te monitoren? Hoe ver kijk je terug?

Op dit moment, zo stellen de onderzoekers, "bevindt [verantwoording] zich overwegend aan de kant van een individuele organisatiebenadering, gericht op output, en het meten van een toestand" (p.38). Dat doen we vooral uit gewoonte. Zo zijn onze systemen ingericht en dat is ook wat we van elkaar verwachten. Maar eigenlijk past dit niet bij de praktijk van het opgavegericht samenwerken. We verantwoorden dus wel, maar het leert ons weinig over beter samenwerken.

Wat moet of kan er dan anders?

De onderzoekers bieden vier perspectieven op verantwoording: rationeel, politiek, constructivistisch en institutioneel. Elk met een eigen insteek, functie en invulling. Elk een basis voor opgavegericht verantwoorden.

Wat daarvoor in elk geval nodig is, volgens de onderzoekers, zijn ‘patroondoorbrekende’ keuzes, ofwel: een systeemverandering. Dat begint bij het institutionele perspectief. De onderzoekers breken een lans voor het afleggen van verantwoording door gebruik te maken van peer-reviews en externe visitaties.

Peer-reviews zijn meer bottom-up en bedoeld om de samenwerkingsverbanden, die nu vooral ieder in hun eigen lokale context naar passend maatwerk streven, onderling van elkaar te laten leren.

Externe visitatie is meer top-downgericht. "Een externe visitatiecommissie (…) neemt het netwerk als vertrekpunt in de toetsing en verantwoording. Data en output zijn hierin nog steeds belangrijk, maar dienen vooral als vertrekpunt voor een breder gesprek waar een waardeoordeel wordt uitgesproken maar ook aandacht is voor leren en verbeteren.", schrijven de onderzoekers (p.50). Door data aan te vullen met kwalitatieve informatie, zoals verhalen en ervaringen van betrokkenen, doe je meer recht aan de praktijk dan op de huidige manier van verantwoorden, "waar vooral de kwantitatieve vraag centraal staat of resultaten zijn behaald, welke middelen daarvoor zijn ingezet en hoeveel ruimte daartussen zit." (p.50)

Waar kan ik dit rapport vinden?

Het rapport is gratis te downloaden op de website van de NSOB.