Kunst en politiek in de jaren 80 en 90: ontdekking van de markt

We schrijven het jaar 1988. Plaats van handeling: The Docklands. Tentoonstelling: Freeze. Exposanten: onder andere Damien Hirst en Tracey Emin. In datzelfde jaar laat Jeff Koons in Chicago de wereld kennismaken met Ushering in Banality - het wordt al snel door het Stedelijk Museum aangekocht. Directeur Wim Beeren heeft er 250.000,- gulden voor over. In Nederland spreken ‘we’ er schande van. Zoveel geld voor zoiets ... banaals? Slechts negen jaar later (1997) koopt De Nederlandse Bank het schilderij Victory Boogie Woogie van Piet Mondriaan voor 82 miljoen gulden. Een illustratie dat de waarde van toonaangevende kunstwerken in 10 jaar tijd ver-400-voudigt. Wat vertelt deze explosie (in waarde) over de jaren 80 en 90? En over de ontwikkeling van ons politiek-bestuurlijke bestel? 

Jeff Koons
©Creative Commons
Ushering in banality - Jeff Koons
De relatie tussen kunst en politiek behoeft geen betoog. Alleen al de term ‘cultuurpolitiek’ veronderstelt verwantschap. Toch lijken het – op het eerste gezicht – tegengestelde grootheden, zoals Segal (2015) al vaststelde. Immers, waar politiek zich op ‘de alledaagse werkelijkheid’ concentreert, lijkt kunst juist ‘een eigen fantasiewereld’ te creëren. Hoe die relatie er dan wel uitziet, gaan we in een korte serie voor Overheid van Nu achterhalen. We laten zien hoe deze werelden juist met elkaar verweven zijn. We staan stil bij ideeën en opvattingen van kunstenaars. En onderzoeken hoe die opvattingen zich verhouden tot de wereld om ons heen. En eigenlijk een logische reactie vormen op de maatschappij van dat moment. We laten bovendien zien dat deze opvattingen helemaal niet veraf staan van de dan heersende opvattingen in het openbaar bestuur. 

Terug naar Londen, aan het einde van die jaren 80. We zien de Young British Artists (YBA) opkomen. Met Damien Hirst en Tracey Emin belangrijkste vertegenwoordigers. In 1988 organiseerde deze groep de veelbesproken tentoonstelling Freeze in de Londense Docklands. Al snel worden de werken van Hirst en Emin boven het maaiveld uitgetild. En wel door de Britse kunstverzamelaar Charles Saatchi.

The Physical Impossibility Of Death In The Mind Of Someone Living  - Damien Hirst
©Creative Commons
The Physical Impossibility Of Death In The Mind Of Someone Living - Damien Hirst

Kunstverzamelaar? Jazeker. In de jaren 80 bouwt reclameman Saatchi aan een imposante kunstcollectie. Met een scherp oog voor opkomend talent. Zo komt hij in contact met kunstenaars als Hirst en Emin. Hirst timmert al een beetje aan de weg. Groot denken is hem niet vreemd. Hij is van ‘shock and awe.’ Goed te zien in zijn bijvoorbeeld The Physical Impossibility Of Death In The Mind Of Someone Living - een gepreserveerde tijgerhaai, tentoongesteld in een aquarium en onderdeel van een serie op formaldehyde bewaarde dieren. Saatchi is meteen verkocht en zo start een jarenlange samenwerking.

Saatchi staat, behalve als kunstverzamelaar, vooral bekend als sluwe, berekende reclameman. Hij begint op zijn achttiende als copywriter. In 1970 richt hij, samen met zijn broer Maurice, reclamebureau 'Saatchi and Saatchi' op. Een bedrijf dat overname na overname pleegt, uitgroeit tot een van de grootste reclamebureaus ter wereld en bekendstaat om zijn aggressieve, nietsontziende stijl. Het reclamebureau werkt (dus ook) aan politieke campagnes. Bekendste slogan (1978): ‘Labour Isn’t Working’. Of dat nou waar is of niet, het bezorgt Margaret Tatcher haar premierschap. 

YBA-kunst is niet onder één noemer te vangen. Afgezien van het gebruik van gevonden, of eigen, voorwerpen (zoals Emins bed) en beelden die als schokkend worden ervaren (de doormidden gezaagde koe van Hirst, een zelfportret van Sarah Lucas, getiteld Human toilet revisited) delen deze kunstenaars weinig. Of het moet hun uitstekende gevoel voor provocatie, voor branding en voor marketing, zijn.

Amerika, Amerika

Ook aan de overkant van de plas spat het spreekwoordelijke testosteron tegen de muren. Amerikaanse kunstenaars als Jeff Koons en Kenny Scharf denken – bijna – niet in termen van kunst. Maar in termen van productie. Scharf ‘schildert’ in een vormentaal die teruggrijpt op de strips uit zijn jeugd. Waarbij schilderen ook maar een woord is. Zijn werken bouwt hij op in drie lagen: een ondergrond in acrylverf, een bewerking met spuitbussen en de uitwerking van de details in olieverf. Aan een groot doek werkt hij ongeveer drie weken. 

Ook Koons gelooft in snelheid. En in productie. Het beeld Ushering in banality ontwerpt hij. Maar hij laat het vervaardigen door Franz Wieser, wiens naam dan ook op het beeld staat. Koons Ushering in banality laat goed zien waar hij voor staat: een roze varkentje dat door drie poppetjes, waaronder twee cherubijntjes, voortgeduwd en begeleid wordt. Dit alles in fraaie, lieflijke pasteltinten, Biedermeier-style. Mocht de toeschouwer zijn beeld ‘smakeloos’ of ‘goedkoop’ vinden, Koons vindt dat aperte onzin. Het is ‘mooi’.  

Het wordt een wereld waarin de spreekwoordelijke kunstenaar-bohemien verandert in een zakenman, die dol is op harde pegels

Koons kiest, behalve voor ‘productie’, expliciet voor ‘marketing’. Ook hij mixt provocatie met een visuele taal, die in zijn geval geënt is op het Popart-idioom van Andy Warhol. Die al in de jaren 60 opzien baarde door alledaagse voorwerpen tot kunst te verheffen (de blikken van Campbell Soup) en gevoel had voor marketing. En met The Factory kunst maken ook al zag als ‘productie’. Waarmee hij jaren later Keith Haring (1958-1990) inspireert.

Alweer zo’n iconische kunstenaar, die in de jaren tachtig niet weg te denken is uit het collectieve geheugen. Ook voor Haring is ‘commercie’ geen vies woord. Zijn eenduidige stijl en taal bestaat uit abstracte figuren die oneindig in elkaar lijken te grijpen, Cartoonesk. Graffiti-achtig. 

Een wereldomvattend systeem

Commercie, markt, winst. Het zijn lange tijd begrippen waar kunstenaars niets van willen weten. Maar hoe anders is het aan het einde van de jaren 80, begin jaren 90. Rond deze tijd begint de kunstwereld een wereldomvattend netwerk te vormen: een amalgaam van kunstenaars, critici, kunstmarkten, toonaangevende tijdschriften en, wellicht het belangrijkste, een netwerk van schatrijke verzamelaars, zoals Thornton (2009) zo treffend weet te schetsen.

Een wereld waarin de spreekwoordelijke kunstenaar-bohemien verandert in een zakenman, die dol is op harde pegels. Waarin de kunstscene een kunstmarkt wordt. Waarin sommige kunsthandelaren bekender worden dan de kunstenaars die ze vertegenwoordigen: Larry Gagosian, bijvoorbeeld. 

Gagosian zelf wordt ook al snel een merk: als hij je als kunstenaar onder zijn hoede neemt, is je kostje gekocht

Gagosian is ook zo’n typisch product van de jaren 80 en 90. Hij opent zijn eerste galerie in 1980 in Los Angeles – openen aan de West Coast is een provocatie in kunstkringen. Je opent natuurlijk altijd eerst in New York (wat Gagosian niet veel later toch ook doet). Gagosian is zelf al snel een merk. Als hij je als kunstenaar onder zijn hoede neemt, is je kostje gekocht. Schilderijen veilen wordt een miljoenenbusiness. Waarvan Gagosian de slimme aanjager is. Vandaag de dag is hij nog steeds de absolute tophandelaar in de moderne kunst.  

Return to the Docklands

Terug naar Engeland, naar The Docklands. Een plek, die misschien wel het beste markeert welke ‘schwung’ zowel de kunst- als de politieke wereld in die jaren 80 en 90 doormaakt. Ooit de levensader van Londen, ooit zelfs de grootste haven ter wereld. Maar in de jaren 70 enorm in verval geraakt. De opkomende containerindustrie (als symbool van de wereldhandel) doet de het gebied als wereldhaven definitief de das om. 

Om het sterk verwaarloosde terrein een push te geven, wordt het in de jaren 80 een regelluwe zone. Aangestuurd door een onafhankelijk orgaan, de London Docklands Development Corporation. Die hoeft zich minder aan bestaande wet- en regelgeving te houden en biedt allerhande belastingvoordelen aan nieuwe bedrijven en startups. De oude pakhuizen werden omgevormd tot luxeappartementen.

De markt mag zijn werk doen. En diezelfde Docklands vormen dan ook het logische toneel van de Freeze-tentoonstelling van Hirst en Emin. Rauw, provocatief. Maar vooral ook met de lucht van ontluikend geld. En vooral ook strak in de markt gezet.  

Onze politiek-bestuurlijke werkelijkheid in die jaren

Docklands staat model voor een nieuwe kijk op overheidssturing. New Public Management-denken doet zijn intrede: de overheid moet effectief en efficiënt gaan handelen. De overheid gaat als een manager onderhandelen over contracten, eisen stellen en samenwerken met de markt. Sterker nog: steeds meer taken worden aan de markt overgelaten. Of overgeheveld. Want de markt kan ‘heel veel, heel veel beter’. In eerste aanleg leidt het tot meer vertrouwen in diezelfde overheid, zoals Hood (1991) zo treffend laat zien. Een overheid die minder doet, kan op meer vertrouwen rekenen. Paradoxaal, maar waar. 
 
Marktwerking is dan ook het nieuwe toverwoord. En om die marktkracht ten volle te benutten, moeten we af van overbodige regels. Deregulering staat hoog op de overheidsagenda. Minder regels, maar vooral ook bevoegdheden ‘op het juiste niveau’. De overheid moet slagvaardig en daadkrachtig zijn. Ook in Nederland gaat dat management-denken hand in hand met deregulering. 

Overheidsvoorzieningen werden op zijn best gezien als ‘een noodzakelijk kwaad’

Het is een logische reactie op de almaar uitdijende overheid van de jaren 60 en 70, die gedurende de 20ste eeuw haar positie in de samenleving uitbouwde met het opbouwen van de welvaartsstaat. 

Tijdens de economische crisis van de jaren 80 stokt deze opbouw. Bezuinigd moet er worden. Niet alleen dat: ook de behoeften van burgers zijn inmiddels verschoven. De nieuwe focus stelt dat marktdiscipline de oplossing is voor alle kwaden en kwalen van de publieke sector. Het vermarkten en -vooral- het privatiseren van diensten zorgt dat openbare diensten efficiënt en effectief geleverd worden (Pirie, 1988). Van ’dienstverlening voor iedereen’ willen we nu vooral toe naar een overheid die aan onze individuele behoeften kan voldoen. De inwoner als klant, met keuzevrijheid. Er ontstaan dienstverleningsconcepten. 

De overheid is geen uitvoerend kunstenaar meer

De parallellen met de kunstwereld zijn legio. We zien dat de overheid vooral dat moet doen, waar ze ‘top’ in is. Ze moet zich terugtrekken op haar kerntaken, waarin ze excelleert. Ze moet contact maken met haar ‘klanten’, in plaats van haar ‘burgers’. Ze moet van het land een merk proberen te maken. Zoals Labour-leider Tony Blair ‘Cool Britannia’ wereldwijd op de kaart wil zetten. 

De overheid in de jaren 80 en 90 is, kun je zeggen, geen ‘scheppend en uitvoerend kunstenaar’ meer. Maar biedt de kaders, waarbinnen anderen hun productie en dienstverlening kunnen optimaliseren. Zoals Jeff Koons. Waarbij de kracht en het belang van de markten, marktwerking en marketing, wordt onderkend. Zoals Damien Hirst. En waarmee we de basis leggen voor wellicht het grootste groeitijdperk in de moderne geschiedenis. Maar waarbij we ook beetje bij beetje het contact met een aantal groepen in de samenleving zullen gaan kwijtraken. 

Meer lezen?

-    Sarah Thornton, 7 Days in the Art World (2009)
-    Michael Shnayerson, Mad Money, Mega Dealers, and the Rise of Contemporary Art (2020)
-    Pirie, M., Privatization (1988)