Kunst en politiek in de jaren 40 en 50: Cobra en de nieuwe wereld

De jaren na de Tweede Wereldoorlog zou je kunnen kenschetsen als rommelig. Vol van opluchting: de nazi’s waren verslagen. Vol van hoop, ook. Over een nieuwe wereldorde, geschraagd door democratie, door nieuwe internationale verbanden. Maar ook gevoed door angst, voor een mogelijke communistische totalitaire overheersing. In dit eerste artikel kijken we naar de opkomst van de kunstenaarsbeweging Cobra, die vlak na de Tweede Wereldoorlog opkwam. Een internationaal netwerk in de kunst. Opgericht in een tijd dat internationale samenwerking en netwerkvorming óók in het politieke domein aan de orde van de dag was met de oprichting van de Verenigde Naties, de NAVO, het Warschaupact en de voorloper van de Europese Unie.

Stalin, Roosevelt en Churchill tijdens de conferentie van Teheran in 1943
©IWM
Stalin, Roosevelt en Churchill tijdens de conferentie van Teheran in 1943
Dat er een zekere relatie bestaat tussen kunst en politiek behoeft geen betoog. Alleen al de term ‘cultuurpolitiek’ veronderstelt dat beide ‘grootheden’ verwantschap vertonen. Toch lijken het – op het eerste gezicht – tegengestelde grootheden, zoals Segal (2015) al vaststelde. Immers, daar waar ‘politiek zich op de alledaagse werkelijkheid’ concentreert, lijkt kunst juist ‘een eigen fantasiewereld’ te creëren. Hoe die relatie er dan wel uit ziet, dat gaan we in een korte serie voor Overheid van Nu pogen te achterhalen. We laten zien hoe deze werelden juist met elkaar verweven zijn. Daarvoor staan we stil bij ideeën en opvattingen van kunstenaars. En onderzoeken we hoe opvattingen over kunst en kunstenaarschap zich verhouden tot de wereld om ons heen, en eigenlijk een logische reactie vormen op de maatschappij van dat moment. We laten bovendien zien dat deze opvattingen eigenlijk helemaal niet zo ver af staan van bepaalde opvattingen in het openbaar bestuur. 

Jaren van vrees

Het maatschappelijke klimaat van het Europa van vlak na de oorlog zou je, met een zekere simplificatie, dus kunnen kenschetsen als gedomineerd door twee ‘grote’ emoties, te weten: hoop en vrees. 
Om bij die laatste te beginnen: ‘Nie wieder Krieg’ en angst voor totalitaire systemen gingen hand in hand, zoals Menand (2021) laat zien. De snelle opkomst van de Nazi-partij in de jaren ’30 in Duitsland is daar debet aan. Hoe een modern, beschaafd Duitsland zo snel tot een totalitaire staat had kunnen afglijden, was niet voor niets voer voor analyse. 

Nogal wat intellectuelen en schrijvers vroegen zich af, hoe totalitair denken nu zo snel om zich heen had weten te grijpen. Sommige analyses waren filosofisch van aard, zoals Karl Poppers The Open Society and Its Enemies (1945). Anderen polemisch, zoals Friedrich Hayek's The Road to Serfdom (1944). Hayek stelde vast dat ‘alle vormen van collectivisme onvermijdelijk leiden tot tirannie.’  Waarbij hij overigens niet alleen Nazi-Duitsland als voorbeeld zag; maar ook stelde dat de Sovjet-Unie die ‘weg tot slavernij en tirannie’ had afgelegd. Niet alleen academici bogen zich over dit vraagstuk. Ook romanciers als George Orwell (in 1984) en Arthur Koestlers (in Darkness at Noon) waarschuwden voor de verleidingen van de totalitaire staat.

Jaren van hoop

Het waren ontegenzeggelijk óók jaren van hoop. Gevoed door een zekere naïeviteit, een optimisme dat de mensheid na al dat kwaad nu geneigd zou zijn tot het goede. Op veel plekken in de wereld wordt er nagedacht over een nieuwe manier van samenwerken, over nieuwe idealen. 

In Frankrijk poogt de intellectuele kring rond Sartre, De Beauvoir en Merleau-Ponty een ‘derde weg’ te formuleren als links alternatief voor westers kapitalisme en het communisme van de Sovjet-Unie. Een tijdsbeeld, dat door De Beauvoir meesterlijk gevangen is in de roman De Mandarijnen. Deze roman speelt in het naoorlogse Frankrijk, waarin in de eerste jaren na die verwoestende oorlog vooral hoop is. Hoop dat oude politieke tegenstellingen vervagen. Dat er nieuwe oplossingen ‘over grenzen heen’ gevonden worden. 

Een echo die ook in Nederland te horen valt: velen hoopten na de oorlog een nieuwe veranderingsgezinde beweging in Nederland te starten. Waar katholieken, protestanten en socialisten met elkaar samenwerkten. Om op de puinhopen van de oorlog nu juist een prachtige, nieuwe samenleving vorm te geven. 


De bekendste poging tot zogeheten nieuwe politiek is de Doorbraak. Die gedachte leidde in mei 1945 tot de oprichting van de Nederlandse Volksbeweging (NVB). Niet langer zou ‘politiek’ langs geloofslijnen georganiseerd moeten worden. Progressieve katholieken en protestanten zouden samen met sociaaldemocraten en vrijzinnig-democraten in één progressieve partij het nieuwe Nederland vorm moeten gaan geven. 

De beweging kwam voort uit een groep politici, vooraanstaande wetenschappers, kunstenaars en vakbondsbestuurders, die samen door de Duitsers als gijzelaar geïnterneerd waren in seminarie Beekvliet in Sint Michielsgestel. De geest van Sint-Michielsgestel zou symbool moeten staan voor dat nieuwe, samenwerkende Nederland van na de oorlog. 
 

Samenwerken over grenzen heen

Over ideologische en landsgrenzen heen actief bestuurlijk samenwerken, dat is een van de echte kernen van het naoorlogse Europa. We zien in die naoorlogse jaren dan ook een snelle opkomst van allerhande nieuwe bestuurlijke, statelijke netwerken en dito vormen van internationale samenwerking. 

‘Elders in Europa klopt een soortgelijke koorts. Alles lijkt -even- mogelijk in die eerste naoorlogse jaren.’

Al tijdens de Tweede Wereldoorlog discussieerden Winston Churchill, Franklin Roosevelt en Josep Stalin over een internationale alliantie. In de Verklaring van Moskou (oktober 1943) is de basis voor internationale samenwerking vastgelegd. Al snel werd het bewaken van de vrede – later uitgewerkt in de oprichting van de VN Veiligheidsraad – en het bevorderen van economische samenwerking gezien als hoofddoelen van de op te richten organisatie. Op 24 oktober 1945 traden de Verenigde Naties in werking.


Gedreven door die Nie wieder Krieg-houding begint met het Verdrag van Brussel (1948) een nieuw Europees integratieproces. In mei 1950 verklaarde de Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman dat ‘het samenkomen van Europese naties de eliminatie van de eeuwenoude oppositie van Frankrijk en West-Duitsland vereist. Elke actie die wordt ondernomen, moet in de eerste plaats betrekking hebben op deze twee landen.’ Binnen een jaar ondertekenden Frankrijk, Duitsland, Italië en de Benelux-landen het Verdrag van Parijs om de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op te richten.

Ondertussen ontpopte de Sovjet-Unie, de bondgenoot die Nazi-Duitsland had helpen verslaan, zich in de ogen van de Verenigde Staten al snel als een potentiële nieuwe vijand. En verdween daarmee het wat naïeve optimisme over de wereldvrede. 
 

Hoe Cobra in dit wereldbeeld past

Tot zover de politiek-bestuurlijke werkelijkheid. Enter Cobra. Een kunstenaarsbeweging, die het levenslicht zag op 8 november 1948, en wel in Parijs. Parijs was in die eerste naoorlogse jaren al snel weer de kunstmagneet die het ook voor en tijdens het interbellum was. Ook voor Nederlandse kunstenaars: schrijvers als Jan Wolkers en Remco Campert trekken naar de lichtstad. Fotograaf Ed van der Elsken is er te vinden.

In dat naoorlogse Parijs trekt de herwonnen vrijheid. Vieren ze die vrijheid. Vrijwel iedereen is op zoek naar nieuwe wegen, vormen, samenwerkingen. Elders in Europa klopt een soortgelijke koorts. Alles lijkt -even- mogelijk in die eerste naoorlogse jaren. 

In Kopenhagen, Brussel en Amsterdam ‘organiseerden’ gelijkgestemde kunstenaars zich: rond Asger Jorn in Kopenhagen, rond Lucebert, Appel en Constant in Amsterdam. En rond Dotrement en Noiret in Brussel. Zo ontstaat Cobra, een acroniem van hun hoofdsteden. In datzelfde Parijs. 

Samenwerken over de grenzen heen is verankerd in het DNA van de groep. Snel na de oprichting vindt de eerste tentoonstelling plaats: in Kopenhagen. In 1949 is Amsterdam aan de beurt. Directeur Willem Sandberg opent de deuren van het Stedelijk Museum, dat mede door deze tentoonstelling aan naam en faam bouwt als voorloper van de nieuwe kunst. In 1951 trekt de karavaan naar Luik. Ook aan de verspreiding van het gedachtengoed is gedacht: Onder de bezielende leiding van Dotrement verschijnen 8 nummers van het tijdschrift Cobra. In Brussel is bovendien een Cobrahuis te vinden, waar ieder die dat wil kan schilderen, creëren en samenwerken. 
 

Kunst maken is een menselijke noodzaak

Cobra is in zekere zin een typische reactie op die periode van ontwrichting, angst en geweld tijdens de Tweede Wereldoorlog. In hun werken grepen ze terug naar spontaniteit en – haast – kinderlijke onbevangenheid. 

Experimenteren stond centraal: in stijl, in uiting. Cobra's benadering van kunst maken, stelt dat ieder kunstwerk een resultaat is van een expliciet sociale ervaring. Sterker nog: de Cobra-kunstenaars stelden dat de expressie van een kunstenaar niet voorbehouden was aan de kunstenaar alleen. 

Kunst maken zou een menselijke noodzaak zijn. ‘Ieder mens een kunstenaar’, zou dat in de jaren ’60 en ’70 gaan heten. De beginselverklaring van Cobra stelde dat kunst en de kunstenaar gemarginaliseerd, sterker nog, vervreemd was geraakt van de ‘lagere’ klassen. Kunstenaars waren te veel onderdeel geworden van het establishment. 

Dat moest anders. Bijvoorbeeld door aan te sluiten bij onderwerpen uit het gewone, sociale leven. Dit perspectief plaatste de Cobra-beweging in lijn met het historische materialisme van het klassieke marxisme (Henri Lefebvre).
 

Aan de hand van een schilderij

Vragende Kinderen (geschilderd in 1948) is een schilderij van Karel Appel. Het laat goed zien waar Cobra voor staat. Kijk maar eens naar de haast kinderlijke expressie die gebruikt is: de figuren op het schilderij hebben veel weg van ‘kopvoeters’, zoals kinderen die met tekenen beginnen, maken. Ook het kleurgebruik sluit daarbij aan door het gebruik van vooral primaire, felle kleuren. 

Vragende Kinderen, geschilderd in 1948, een schilderij van Karel Appel
©michelle@c
Vragende Kinderen van Karel Appel

Tegelijkertijd is de onderwerpkeuze scherp: Appel werd geïnspireerd tijdens zijn treinreis door het naoorlogse Duitsland, waar hij op vrijwel ieder station bedelende kinderen tegen kwam. Die om geld en eten vroegen. Het inspireert tot een hele serie. Waarbij in één schilderij zowel kinderlijke onschuld, als een felle aanklacht te vinden is. En waardoor die kinderlijke stijl een dubbele laag krijgt. Waarbij de herinnering aan je eigen tekenkunsten (als drie, of vierjarige) eveneens een dubbele lading krijgt: hoe kun je, met die herinnering op zak, niet solidair zijn? En, vertaald naar een groter maatschappijbeeld: hoe kunnen we (anno 1949) met onze herwonnen vrijheid en de overwinning op tirannie toch mensen, zelfs kinderen, op deze manier in de kou laten staan?  

Zo maakt een groot aantal kunstwerken van Cobra gebruik van dergelijke ‘herinneringen’ door nieuwe aan eerdere betekenissen te verbinden. Cobra stopt niet bij het oproepen van dat beeld van die vroege kunstenaar in ons allen. Maar ontlokt ons – geladen met dat confronterend beeld van bedelende kinderen uit dat materiële heden – een nieuw construct. Een construct van een haast fysiek toegankelijke, nabije, maar onvoorspelbare wereld. Waar we in zekere zin tussen hoop en vrees heen en weer geslingerd worden: slagen we er, in die naoorlogse jaren, ook daadwerkelijk in om nieuwe verbanden, samenwerkingen en collectieven op te tuigen? 

Tot slot

In die zin staat de opkomst van Cobra symbool voor de politiek-bestuurlijke werkelijkheid van die dagen. Waar we zoeken naar nieuwe wegen. Naar nieuwe vormen. Naar leven tussen hoop en vrees. En waarbij de uitkomst nog ongewis is. 

Ook in die zin, is Simone de Beauvoirs De Mandarijnen een geweldige spiegel van de tijd. De roman eindigt met twee woorden: ‘wie weet’. 

In die twee woorden ligt een wereld besloten: van verwachtingen, die niet uitgekomen zijn, van voorspellingen die de mist ingingen. Van samenwerkingen die op niets uitliepen. Hoop die langzaam gedoofd lijkt. Maar waarbij iets van dat naoorlogse optimisme er nog steeds is. Misschien tegen beter weten in.    

Meer weten/lezen?

Joes Segal, Kunst en Politiek, tussen zuiverheid en propaganda (2015)

Karl Poppers, The Open Society and Its Enemies (1945) 

Friedrich Hayek, The Road to Serfdom (1944)

George Orwell, 1984 (1949)

Arthur Koestler, Darkness at Noon (1940)

Louis Menand, The Free World, art and thought in the Cold War (2021)

Daniel Sherman, French Primitivism and the Ends of an Empire 1945 – 1975 (2011)

Karen Kurczynski, The Cobra Movement in Postwar Europe (2021)