‘Zelfstandigheid voor mensen met psychische problemen’

In Nederland moet iedereen mee kunnen doen, ongeacht talenten en beperkingen. Dat geldt ook voor mensen met psychische problemen. Door minder en korter in instellingen te verblijven, maar juist zelfstandig te wonen met meer zorg in de eigen omgeving zouden deze mensen een betere kwaliteit van leven moeten krijgen. Sinds de decentralisaties in het sociaal domein is de zorg voor mensen met psychische problemen in eerste instantie een taak voor gemeenten. Een interessant onderwerp en daarmee een van de drie casussen van de studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen.

Een vrouw zit naast haar bed met de handen in het haar

Gemeenten worstelen met de gevolgen van de zogenaamde ambulantisering van de GGZ. Er wordt een groot beroep gedaan op zorg en begeleiding, er is een ernstig tekort aan passende woningen en mensen in de wijk maken zich zorgen. Opvallend is dat het aantal dakloze 18- tot 65-jarigen in Nederland is toegenomen van 17,8 duizend naar 39,3 duizend in 2018. Ongeveer de helft van de nieuwe instroom van daklozen heeft psychische problemen. Daarnaast registreerde de politie in 2018 meer overlast (een stijging van 8%) waarbij personen met verward gedrag betrokken waren. Hoewel het verband tussen minder bedden in instellingen en meer meldingen niet is aangetoond, besteedt de media hier veel aandacht aan en is het ook in de samenleving een zorgpunt.

Waar het knelt

Tonny van de Vondervoort (GGD GHOR Nederland en lid van de studiegroep): ‘Het ontbreekt aan een duidelijke en gezamenlijke visie van de betrokken partijen voor de aanpak van maatschappelijke participatie van mensen met psychische problemen. Onderhandelingen tussen het Rijk en de gemeenten zijn vooral gericht op voldoende financiële middelen, dat vertroebelt het gesprek over de inhoud.’ Collega in de studiegroep Staf Depla (adviseur) vult aan: ‘Door schotten in de verschillende stelsels loont het niet om werk te maken van preventie en vroegsignalering en nemen partijen geen verantwoordelijkheid. Hierdoor krijgen mensen geen hulp of worden heen en weer geschoven tussen instanties. Hoe we het nu met elkaar hebben geregeld, is niet te begrijpen. Bovendien mis ik aandacht voor problemen in buurten waar veel mensen met psychische problemen woonruimte krijgen.’

‘Regionale samenwerking is cruciaal voor een sluitende zorgketen. Dit komt nog onvoldoende van de grond,’ zegt Petra Lugtenburg (ministerie van Financiën en lid van de studiegroep), ‘Aanbieders en zorgverzekeraars hebben te maken met veel verschillende regio-indelingen, samenwerkingsverbanden en manieren van verantwoorden. Dit zorgt voor veel complexiteit en administratieve lasten en maakt samenwerken niet eenvoudig.’

Aan het werk

De leden van de studiegroep pluizen nu de casus uit: ze bestuderen onderzoeken en gaan met verschillende deskundigen in gesprek over de ambulantisering van de GGZ. En natuurlijk maken de leden optimaal gebruik van elkaars kennis en ervaring. Hetzelfde doen zij bij nog twee andere casussen: de woningbouwproductie en de energietransitie. Eind maart, zo is de planning, komt de studiegroep met eerste bevindingen: kansen, knelpunten en dilemma’s om als overheden beter samen te werken aan de grote maatschappelijke opgaven. Op het gebied van de casussen, maar ook in het algemeen. Daarna gaat de studiegroep ‘on tour’ om die bevindingen te bespreken en verder uit te werken. Voor de zomer van 2020 komt de studiegroep met een rapport, zo is het plan.