Hoe verenig je lokale gebiedsdoelen tot één visie? Zo doen ze dat aan de Maas

“We bieden nieuwe kansen voor een gebied dat eigenlijk vergeten was. Dat maakt mij trots”.  Lambert Verheijen, dijkgraaf van waterschap Aa en Maas en voorzitter van de stuurgroep Meanderende Maas, verwijst naar het groene, met dorpjes omringde riviergebied tussen Ravenstein en Lith.  “In de afgelopen honderd jaar zijn de mensen hier van het water af gaan wonen. Nu bestuurders en bewoners met elkaar in gesprek zijn gegaan over de nieuwe maatregelen voor de dijk, de rivieren en het aangrenzende land, zien we een hernieuwde belangstelling voor het riviergebied. We hebben het landschap weer zichtbaar gemaakt”.

Weilanden onder water

In 1 minuut:

  • Tien organisaties werken in het project Meanderende Maas aan een integrale aanpak voor het riviergebied tussen Lith en Ravenstein, met aandacht voor dijkversterking, rivierverruiming en gebiedsontwikkeling.
  • De samenwerking begon in 2016 en heeft inmiddels geleid tot een voorkeursalternatief voor het Maasgebied. Naar verwachting start de uitvoering in 2023 en zijn de werkzaamheden in 2028 afgerond.
  • Tijdens de verkenningsfase is er bewust gekozen om bestuurders een meer zichtbare rol te geven en bewoners uitvoerig mee te nemen in het proces, tot de uitvoering. 

Dijkversterking als aanjager gebiedsontwikkeling

Concrete aanleiding voor het project Meanderende Maas is de dijk aan Brabantse zijde, die niet meer aan de nieuwe, aangescherpte veiligheidsnormen voldoet uit 2017.  Een uitgelezen kans, zo vonden lokale en regionale bestuurders, om gelijktijdig te werken aan andere opgaven in het Maasgebied, zoals rivierverruiming, natuurontwikkeling en verbetering van de bereikbaarheid van de haven in Oss. Met als resultaat: een ruimtelijk ontwikkelingsproject van formaat, met de nodige bestuurlijke complexiteit.

Maar liefst tien organisaties werken samen: de provincies Noord-Brabant en Gelderland, gemeenten Oss, Wijchen en West Maas en Waal, waterschappen Aa en Maas en Rivierenland, het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat, Rijkswaterstaat en Natuurmonumenten. Ook burgers zijn actief betrokken. Van de bewoners achter de dijk tot de boeren die de uiterwaarden pachten. Intussen ligt het voorkeursalternatief op tafel.
 

Korte lijntjes in Brabant

Verheijen: “Wij proberen – en dat is zeker Brabantse traditie – de samenwerking tussen de provincie, gemeenten en waterschappen op een goed niveau te houden. We zijn dan ook geen vreemde partijen van elkaar. Toen we een subsidie wilden aanvragen bij de provincie om in 2016 snel van start te gaan met de planontwikkeling, hielp dit enorm. We hebben hierin samen opgetrokken met gemeenten in Noordoost-Brabant, waar we al nauw mee samenwerkten”.

Dijkgraaf Verheijen

Wat wel helpt, zo geeft Verheijen toe, is dat waterveiligheid niet in de ‘gepolariseerde hoek’ zit. De politieke kleur van de gemeenteraad of de Provinciale Staten sijpelt niet erg door tot in de stuurgroep. “Gaat het over landbouw, dan is dit wel anders”.

Betekent niet dat er van geschilpunten geen sprake is. Verheijen: “Bijvoorbeeld over de vraag wie er aan de lat staat voor het beheer van het natuurgebied. Of over het gebruik van zomerbedverdieping om waterstandsdaling te realiseren. Dat is voor Rijkswaterstaat een ‘no go’, dus hebben we deze maatregel uit het voorkeursalternatief geschrapt”.
 

Mutual Gains Approach

Voor het project is gekozen voor een procesaanpak volgens de Mutual Gains Approach, legt Verheijen uit. “We achterhalen wat de belangen zijn van de verschillende partijen en zoeken naar een besluit dat voor iedereen meerwaarde heeft. Belangrijk hierin is dat je goed luistert en respect hebt voor andermans belang”.

Als voorbeeld: de provincie Noord-Brabant sprak de ambitie uit om 500 hectare van het buitendijkse gebied toe te voegen aan het NatuurNetwerk Brabant, om zo een uitgestrekt, aaneengesloten natuurgebied te realiseren. Een alliantie met Natuurmonumenten lag toen voor de hand, die nu verantwoordelijk wordt voor de delfstofwinning en zo het natuurgebied oplevert aan de provincie. Deze delfstoffen worden weer gebruikt om de dijk te verstevigen. Gebiedsdoelen van bestuursorganen zijn op deze manier in elkaar gevlochten tot een ruimtelijk gebiedsplan, bestaande uit een samenhangend pakket van maatregelen.

“Juist de partijen die financieel inleggen”, zo benadrukt Verheijen, “moeten bereid zijn over hun eigen schaduw heen te stappen. De opbrengst van een gezamenlijke investering is immers vele malen hoger dan wanneer iedereen het op eigen houtje probeert”.
 

Ooievaars hoog boven weilanden

Bestuurders op de bühne

Er is bewust gekozen voor een meer zichtbare rol voor bestuurders tijdens de verkenningsfase, waarin werd toegewerkt naar een voorkeursalternatief. “Natuurlijk moet er ambtelijk voorwerk gedaan worden. Maar laat het besluit niet alleen worden bepaald door de ambtelijke inbreng. Zorg dat bestuurders persoonlijk hun positie verduidelijken, hun belang verwoorden en in gesprek gaan met andere bestuurders. Maar ook met burgers. Laat ze zelf aan het roer staan”.

Ook werd er tijdens de verkenningsfase aandacht geschonken aan het participatietraject. Via allerlei werkvormen –waaronder dijktafels, keukentafelgesprekken, een online ideeënkaart en interactieve werkplaatsen – hebben bewoners meegedacht over de inrichting van het gebied. Met als resultaat dat een aantal suggesties zijn opgenomen in het voorkeursalternatief. Zelfs als dit technisch niet optimaal is.

Verheijen: “Bomen op de dijk, dat is taboe in Nederland. Ze kunnen omwaaien en de boomwortels maken de dijk instabiel. Toch is er besloten, naar aanleiding van gesprekken met omwonenden, om de karakteristieke bomen op de dijk bij Demen en Dieden niet te kappen. In plaats daarvan kijken we naar een technische oplossing met behoud van de bomen, zoals dijkverbreding”.

Hoe participatie wordt vormgegeven tijdens de verdere planuitwerking en in de uitvoeringsfase, is nog niet concreet uitgedacht. Verheijen: “Zeker is wel dat we ook in de volgende fasen bewoners en ondernemers betrekken. We zijn nog lang niet klaar. Het is een project dat nog zeven tot acht jaar voortduurt”.