Voorwaardenscheppend én resultaatgericht – één overheid onmisbaar voor grote transities

Het beeld van een overheid die worstelt. Een worsteling op bestuurlijk niveau en een worsteling om in dagelijkse praktijk voldoende slagkracht te tonen om maatschappelijke doelen ook daadwerkelijk te realiseren. Dat beeld brengt gedeputeerde Erik van Merrienboer (Noord-Brabant) met kracht over het voetlicht.

Erik van Merrienboer

Van Merrienboer werkte zowel aan de ambtelijke als aan de bestuurlijke ‘kant’ van de provincie Noord-Brabant. Hij begon zijn carrière in de arbeidsverhoudingen, was wethouder in Eindhoven en is nu bezig aan zijn tweede termijn als gedeputeerde. Hij laat zien hoe interbestuurlijk samenwerken er in de praktijk uit zou kunnen zien. Om zo complexe maatschappelijke vraagstukken beter aan te kunnen pakken.

Van huis uit is Van Merrienboer politicoloog. Misschien is dat één van de redenen, waarom hij in het Nederland van vandaag een dubbele worsteling ontwaart. Eén worsteling vindt in zijn ogen plaats op bestuursniveau: ‘Nederland is in de kern een transactieland, een land waar we belangen konden en wilden uitruilen. Het cliché van het verzuilde Nederland. Waar een bestuurlijke elite elkaar, ondanks verschillen van inzicht en mening, telkens wisten te vinden.’

En als er bestuurlijk dan richting was gekozen, dan werd het als het ware aan de samenleving gelaten. ‘Dat ruilen en implementeren, dat deden we met behulp van wat Pieter Winsemius ooit de combinatie van preek, wortel en stok heeft genoemd. Hier en daar wat smeerolie in de vorm van subsidie of andere financiële prikkels. Wetgeving en handhaving, alleen waar nodig. En vertrouwen op verzuilde instituties om de sociale norm te stellen. Zo functioneerde Nederland eigenlijk de afgelopen twee eeuwen. Daarmee maakten we samenwerking als het ware bestuurlijk zwaar, en in de uitvoering licht.’

Maar in de wereld van vandaag weten de politiek-bestuurlijke elites elkaar lastiger te vinden.

Terwijl op politiek niveau de ‘ruil’ ingewikkelder geworden is, is ook de implementatie in de lokale en regionale praktijk lastiger geworden. En zo ervaren we bestuurlijk ‘drukte’ en ‘verwaarlozen’ we tegelijk de uitvoering. Daardoor komen de gewenste doelen niet, laat of onvolkomen tot stand. Dat is de tweede worsteling, die van Merrienboer beschrijft.

Voorwaardenscheppend

Grote transities komen niet tot stand als elke overheidsschaal zich uitsluitend focust op de eigen doelen en middelen. Nederland is namelijk geen leeg vel dat je naar believen inkleurt. Als overheid begin je nooit ‘op nul’, er is altijd een gemeenschappelijk beleefd verleden, waar mensen, middenveld en bedrijfsleven elkaar al ontmoet hebben’ stelt Van Merrienboer. Het idee van de oude ‘inrichtingsplanologie’, die Nederland als het ware voortdurend kon (her)inrichten; dat beeld, dat werkt niet meer.

Wanneer werkt het dan wel? Wat moet er dan gebeuren?

Inspiratie hoe het wel kan, die haalt Van Merrienboer bijvoorbeeld bij Van der Steen (NSOB) vandaan: ’de overheid kan alleen maar in vertrouwen decentraliseren, als tegelijk het bedrijfsleven vermaatschappelijkt en ook het maatschappelijk middenveld ondernemender wordt. Eenvoudig maar waar. Pas dan ontstaat een duurzaam perspectief.‘ Dat is een manier van denken en kijken, die Van Merrienboer aanspreekt. Dus moet je de ondernemers aanspreken op hun maatschappelijke legitimiteit en maatschappelijke initiatieven helpen om ondernemend te handelen. Als overheid moet je dicht op de uitvoering durven zitten en daarop aanspreekbaar zijn.

Hoe versterken we dan ‘het systeem’ of het netwerk?

Als overheid moet ‘samenwerken’ dus in het dna zitten. Het begint met het daadwerkelijk onderkennen dat we in ons land uitsluitend in netwerken resultaten kunnen boeken. Het is dan wel noodzakelijk om dergelijke netwerken ook daadwerkelijk te onderhouden, ook als er ‘even niets spannends te doen is’.

Door te leren van goede en slechte ervaringen ontwikkelt zich juist voor de provincie een cruciale en onderscheidende rol in het ontwikkelen, versterken en onderhouden van de netwerken die dringend nodig zijn voor alle grote transities. In die netwerken zouden provincies de ‘intelligent hub’ kunnen zijn. De plek waar - vrij naar Wikipedia - het netwerk wordt beheerd, inzicht wordt gegenereerd in het oplossend vermogen van het netwerk en het netwerk kan worden geconfigureerd om nieuwe vraagstukken echt resultaatgericht het hoofd te bieden.