Op zoek naar ‘het vliegwiel’ bij langdurig inactieve mensen

Hoe bereik je een groep mensen die langdurig in de bijstand zit? Hoe zorg je dat ze meer gaan deelnemen aan de samenleving? Drie pilots, deels gefinancierd door het ministerie van BZK, benaderen deze groep mensen persoonlijk en bieden hen individuele begeleiding. In de tweede aflevering van een drieluik gaat ‘Overheid van nu’ naar Helmond. “Hulpverleners praten veel met elkaar maar soms te weinig met de cliënt. Dat moet anders.”

Een deelnemer aan het stadsleerbedrijf

In 1 minuut

De ministeries van SZW en BZK en de gemeenten Helmond, Leiden en Tilburg werken samen in een onderzoek naar de ondersteuning van inwoners op het terrein van participatie en zorg.  Ook het ministerie van VWS en Divosa zijn hierbij betrokken. Een groep kwetsbare mensen kan niet vanzelfsprekend meedoen in de samenleving en op de arbeidsmarkt. De drie betrokken gemeenten brengen in hun pilot de mensen in de bijstand in beeld en leren de mensen kennen om van daaruit integraal te kijken naar wat de participatiemogelijkheden zijn en welke ondersteuning nodig is. Om ervaringen te delen wordt in opdracht van het ministerie SZW een onderzoek uitgevoerd om de ‘werkbare bestanddelen’ uit elke aanpak te halen. Eind februari 2020 worden de resultaten bekend.

Voor Helmond is het nieuw, om op deze manier zelf langdurig werkelozen te benaderen en met hen in gesprek te gaan. “De groep met 80-100% zogeheten ‘arbeidsvermogen’, die redt zichzelf”, zegt wethouder Erik de Vries van Sociale Zaken, Armoedebeleid en Stedelijk Beheer. “De groep tussen 30% en 80% heeft contact met het werkbedrijf en probeert op deze manier een weg te vinden naar betaald werk. Het is de groep met minder dan 30% arbeidsvermogen die we als gemeente dichter naar ons toe willen halen. Hoe kunnen we ze mee laten doen? Wat willen ze en kunnen ze? Het doel is een integrale aanpak te ontwikkelen voor deze groep. Met als inzet dat mensen gelijkwaardige kansen krijgen om zich te ontwikkelen en volwaardig deel te nemen aan de maatschappij.”

Deze ‘30%-groep’ groep telt in de Brabantse gemeente ongeveer 1400 mensen. Ze hebben verschillende problemen, met hun gezondheid, sociaal, in hun gezinssituatie, hebben soms schulden en hebben vaak verschillende hulpverleners. “Deze groep moest altijd erg veel. Er werd te veel gekeken naar het halflege glas”, zegt projectleider Reinier Roosjen. “We willen hen aanspreken op hun kwaliteiten, wat ze wél kunnen.”

We hebben daarom een open aanbod. We willen werken op basis van wat ze zelf willen en kunnen. We hebben een lege doos. Het enige dat we hebben zijn klanten, consulenten en hulpbronnen. We vragen eenvoudig wat mensen willen en waarom ze iets willen. Beweegredenen. Dat levert perspectieven op.”

Profiel

Helmond werkt in deze pilot met klantprofielen, waarin ze bepaald gedrag en kenmerken van een persoon samenvatten. Er zijn vier categorieën: Inkomensondersteuning, eventueel in combinatie met Zorg. Maatschappelijke Activering en behandeling op andere leefbaarheidsterreinen; Maatschappelijke Activering en Arbeidsactivering.  “Dit is slechts een hulpmiddel om tot een goede aanpak te komen. Uiteindelijk gaat het elke keer weer om individueel maatwerk.”, zegt Roosjen.

Iemand die valt in de categorie ‘Maatschappelijke activering’ kan nu niet werken aan re-integratie op de arbeidsmarkt, maar kan misschien wel vrijwilligerswerk doen.   Begeleiding door het Stadsleerbedrijf en scholing met cursussen en trainingen is wellicht wel mogelijk.

Langs elkaar werken

Voor de pilot keek de gemeente eerst naar tien ‘complexe casussen’. De Vries: “We zien in de praktijk dat alle verschillende partijen – werkbedrijf, GGZ, huisartsen, noem maar op – soms langs elkaar heen werken. Er is veel goede wil, maar uiteindelijk gaat het erom dat we mét de cliënt praten en niet alleen óver hem.”

De afgelopen maanden is een begin gemaakt met de nieuwe pilot-aanpak. De eerste ca 20 klanten zijn thuis bezocht om te bespreken of het project voor hen meerwaarde kan hebben. Enkele huisbezoeken zijn afgelegd met collega’s van samenwerkende organisaties zoals GGZ en ORO. Kern van de aanpak is: kijken wat deze persoon wil, wat er nodig is en wie daarbij kan helpen, zegt De Vries. “Als iemand veel vertrouwen heeft in zijn GGZ-begeleider, dan heeft die de regie als trajectconsulent.” De gesprekken met de trajectconsulent gaan in op negen leefbaarheidsgebieden, van wonen, sociale contacten, dagbesteding en financiën.

Deelname aan de begeleiding is vrijwillig. Mensen reageren soms afwachtend of wantrouwend. Dat ondervond projectleider Roosjen zelf al. “In mijn enthousiasme heb ik zelf ook de telefoon gepakt om iemand uit te nodigen. Die hield helaas de boot af, al reageerde hij ook niet direct afwijzend: hij wilde erover nadenken. Over een paar weken bel ik weer. Toen merkte ik dat aangaan van een relatie met deze groep veel tijd nodig heeft. Eigenlijk helemaal niet zo verwonderlijk.”

Vliegwiel

Klantprofielen en activeringsladders ten spijt, deze pilot is vooral een zoektocht naar de juiste aanpak. “De kunst is het vliegwiel te vinden’’, zegt Roosjen. “Welk probleem belemmert iemand het meest? Als uit het gesprek blijkt dat iemand zelf het eerst wil werken aan bijvoorbeeld zijn gezondheid dan is dat het uitgangspunt.’’

“De pilot is een succes als we een manier weten te vinden die aanslaat”, zegt wethouder De Vries. “We willen van deze manier van werken weten wat er werkt. En dat inbedden in de organisatie. Het gaat nadrukkelijk níét om begeleiden naar werk. Het gaat erom dat we als gemeente de mensen blijven vasthouden en blijven zoeken naar mogelijkheden hen te ondersteunen daar waar dat het hardste nodig is.’’