Programma 'Langer Thuis' houdt het praktisch

De scope van het VWS-programma Langer Thuis is eenvoudig: hoe kunnen we ervoor zorgen dat ouderen verantwoord én zo gezond en plezierig mogelijk in hun eigen woonomgeving kunnen blijven? Het programma loopt inmiddels een jaar en heeft een brede waaier van initiatieven en activiteiten opgeleverd, waarvan de effecten deels nu al in de praktijk merkbaar zijn. En dat werd ook wel tijd, constateert huisarts Willemijn de Graaf, die veel ouderen in haar praktijk heeft: ‘Als je zorg verplaatst, dan moet je er ook tijd, ruimte en geld bij leveren om dat goed te doen.

Programmamanager Reinier Koppelaar (rechts) tijdens het congres Slimmer Thuis, over technologie die ouderen helpt prettiger en veiliger te wonen

In 1 minuut:

Een van de kernvragen van het VWS-programma Langer Thuis luidt: hoe organiseer je zorgverleners en professionals als één team rondom de ouderen? Gedwongen door de praktijk zijn zorgverleners en professionals zelf al langer op zoek naar antwoorden op die vraag. De aandacht vanuit het programma en, niet te vergeten, de extra middelen zijn in de wijken dan ook méér dan welkom.

Samenwerking en afstemming in de wijk

Dat er een andere wind waait als het gaat om ouderenzorg, zal niemand zijn ontgaan. Langer Thuis is er één uit een reeks programma’s en actieplannen van het ministerie van VWS, om de zorg – en dan met name de zorg voor ouderen - beter op de rit te krijgen. Hard nodig, want ouderen wonen steeds langer zelfstandig. Ook zeer kwetsbare ouderen. Goede samenwerking en afstemming tussen zorg- en hulpverleners in de wijk en met de oudere en mantelzorgers is essentieel om tijdig te signaleren wat nodig is en de juiste hulp te bieden. Het programma Langer Thuis wil dit bevorderen, waarvoor tot en met volgend jaar 340 miljoen euro beschikbaar is.

Als één team rondom de ouderen

Inhoudelijk zet het programma in op de kwaliteit van leven van ouderen. Met een focus op zorg en ondersteuning in de wijk, mantelzorg en vrijwilligers en het realiseren van passende woonsituaties. Minister Hugo de Jonge kon begin juli een uitgebreide, in enthousiaste woorden gestelde kamerbrief schrijven over de voortgang na één jaar. De kamerbrief bevat tal van voorbeelden van projecten, pilots en samenwerkingsinitiatieven uit wijken in plaatsen die uiteenlopen van Enschede tot Moerdijk en van Hogeveen tot Hilversum. ‘Het programma heeft praktisch gesproken één centraal thema’, vertelt Langer Thuis-programmamanager Reinier Koppelaar: ‘hoe organiseer je zorgverleners en professionals als een team rondom de ouderen. Hoe kan er samengewerkt worden over de schotten en domeinen heen en wat moet je dan lokaal met elkaar afgesproken hebben?’

Extra aandacht voor preventie en vitaliteit

Bijzonder is dat het programma binnen de kortste keren alle belanghebbenden in de ouderenzorg op één lijn kreeg: van Rijk tot gemeentes en van zorgverzekeraars tot zorgverleners. Programmamanager Koppelaar legt uit dat het programma aan de start direct in de actiemodus is gegaan en weinig tijd heeft verloren aan nieuw onderzoek en diepgaand aftasten van het stakeholderveld. Koppelaar: ‘Snel resultaat was vanaf het begin belangrijk. Die urgentie wordt overal – en duidelijk – gevoeld. We zijn daarom begonnen vanuit de inhoud: wat weten we al en waar kunnen we het verschil maken? Uitgangspunt is om aan te sluiten bij bestaande initiatieven van gemeenten, verzekeraars, zorginstellingen en vrijwilligers. Vanuit het programma bekijken we hoe we die kunnen versnellen en faciliteren. Het plan van aanpak en de implementatiestrategie hebben we daarom vervolgens wél met de partijen in het veld ontwikkeld. De extra aandacht voor preventie en investeren in vitaliteit zijn bijvoorbeeld door professionals uit de praktijk ingebracht.’

Huisarts Willemijn de Graaf

Steeds meer mensen met complexe zorgvraag

Eén van de speerpunten van het programma is het stimuleren en versterken van netwerken voor integrale ouderenzorg op wijkniveau. Huisarts Willemijn de Graaf beaamt dat samenwerking dichtbij- en in dienst van de oudere wat háár betreft inderdaad de sleutel is. Haar huisartsenpraktijk in het verhoudingsgewijs sterk vergrijsde Berg en Dal, schetst alvast de toekomst van huisartsenpraktijken in heel Nederland.

De Graaf: ‘Tussen de drie- en vierhonderd cliënten zijn boven de 70 en ruim tweehonderd zelfs boven de 80 jaar oud. Dat was hier jaren geleden al zo, toen we nog verzorgingshuizen hadden. Die hebben we nu niet meer, waardoor de zorg wordt verplaatst. Als huisarts krijg je daarom steeds mensen in je praktijk die complexe zorg vragen. Dat wringt natuurlijk wel. Een specialist ouderengeneeskunde heeft gemiddeld zo’n 80 patiënten in zijn praktijk, een huisarts zo’n 2100. Gemiddeld hebben we nu 70 ouderen in de praktijk die complexe zorg nodig hebben.’

Duidelijkheid en rust

Een aantal jaren geleden zijn de zorgprofessionals in Berg en Dal het over een andere boeg gaan gooien. De Graaf: ‘Het is vervelend voor ouderen als verschillende hulpverleners langs elkaar heen werken, en dat gebeurde gewoon. We hebben toen met elkaar afgesproken dat de wijkverpleegkundige een tandem vormt met de huisarts en optreedt als een soort casemanager. Daar omheen zit een schil van specialisten, bijvoorbeeld fysiotherapeuten of specialistische verpleegkundigen, die komen als ze nodig zijn en zijn daarna weer uit beeld. Dat geeft duidelijkheid en rust. Je merkt dat dit heel goed werkt: patiënten zijn er erg tevreden over en de professionals ook. De tandem van wijkverpleegkundige en huisarts levert zo de beste zorg op.’

Netwerken bouwen hoort geen “vrijwilligerswerk” te zijn

Vanuit ‘Langer Thuis’ worden bestaande en nieuwe netwerken voor integrale ouderenzorg extra ondersteund. De aandacht en, niet te vergeten, de middelen hiervoor zijn méér dan welkom, vindt De Graaf. ‘Elkaar leren kennen en respecteren, procedures afspreken, zorgen voor korte lijnen, daar draait het om. Het opzetten van zo’n netwerk opzetten kost tijd en energie. Mensen die dit willen doen, die moet je faciliteren. Tot nu toe was dat nog te vaak een soort vrijwilligerswerk, terwijl zulke netwerken voor de continuïteit eigenlijk tenminste één of twee toegewijde trekkers nodig hebben die de boel in beweging houden. Het is goed dat hier nu anders naar gekeken wordt.’

Doorbraak bij inkoop zorg

Programmamanager Koppelaar beschouwt het als een belangrijk eerste succes dat er nu bestuurlijke afspraken zijn gemaakt tussen gemeentes en verzekeraars om het inkoopbeleid af te stemmen op integrale ouderenzorg in de wijk: ‘Dat is écht een doorbraak.’ Maar het programma werkt ook bottom up: bestaande wijknetwerken zijn geïnventariseerd en er is een subsidieprogramma om ze te ondersteunen in hun ontwikkeling, waar inmiddels 35 netwerken gebruik van maken. Koppelaar: ‘We faciliteren met geld, maar ook met kennisdeling en communicatie. Zo stimuleren we startende netwerken, helpen we bij de doorontwikkeling en waarborgen we dat ze hun werk ook op langere termijn kunnen doen.’

Persoonlijk is Koppelaar blij met de innovatieve dynamiek die het programma blijkt los te maken. ‘Zelfs op de lastigste onderwerpen zie je ontwikkeling. Zo lopen er op tien plekken in het land pilots met “Logeerzorg” – tijdelijke, vervangende zorg die verlichting biedt als mantelzorgers overbelast dreigen te raken. Dat is behoorlijk complex: soms zijn er bijvoorbeeld wel bedden, maar is er nog geen goed systeem om te zorgen dat een mantelzorger op de hoogte is van zijn mogelijkheden. De bekendheid met- en toeleiding naar logeerzorg verbeteren we nu door in de pilots heel concreet uit te proberen wat werkt.’

Meer informatie

De infographic Een jaar Programma Langer Thuis vat de belangrijkste resultaten samen die tot nu toe zijn geboekt.

Hoort bij