Leonie Heres ziet ‘collectief moreel vakmanschap’ als voorwaarde voor ‘integriteit’

Het aantal meldingen van ‘integriteitsschendingen’ in de bestuurlijke wereld neemt toe, aldus de  Politieke Integriteitsindex (PII). Leonie Heres, bijzonder hoogleraar integriteit van het lokaal bestuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, vraagt zich af of we ‘integriteit’ niet te gemakkelijk en te persoonsgericht in de mond nemen. Ze bepleit ‘collectief moreel vakmanschap’. ‘Integriteit doe je niet in je eentje maar met elkaar.’ 

Leonie Heres
Beeld: ©Erasmus Universiteit Rotterdam
Leonie Heres: 'De manier waarop we anno vandaag integriteit proberen te borgen, kent nog allerlei onvolkomenheden.'
Aanpassingen
Dit artikel is op 16 oktober aangepast op enkele feitelijke onjuistheden.

‘Collectief moreel vakmanschap: over de integriteit van het lokaal bestuur’, heet de oratie die Leonie Heres in september uitsprak. Achter die eerste drie woorden gaat een wereld schuil. In de kern, zegt Heres, draait integriteit van het openbaar bestuur om een morele lens, die iedere gezagsdrager zou moeten willen en durven richten. Maar, let op: die lens is wel vatbaar voor blinde vlekken en heeft er baat bij als die wordt aangescherpt door toetsing aan de perspectieven van anderen. Hierbij is vakmanschap nodig om die voortdurende samenspraak adequaat te laten plaatsvinden.  

In haar oratie benoemt Heres een paar ‘incidenten’ uit 2006: een wethouder die opstapt, een burgemeester die ‘zichzelf’ laat onderzoeken omwille van een al te gemakkelijk verleende bouwvergunning - integriteitskwesties in de Nederlandse, lokale politiek, die ons in het verleden bezighielden. In 2022 is er volgens de Politieke Integriteitsindex (PII) sprake van 75 gevallen van (vermeende) integriteitsschendingen. Waaronder een burgemeester die een raadslid heeft uitgescholden voor ‘lul’ en ‘gladjanus’ - een opmerkelijke stijging nadat het aantal meldingen de zes voorgaande jaren rond de vijftig lag.

‘Is elke ongepaste grap meteen een integriteitsschending? Als alles integriteit is, is integriteit niets’

Korte conclusie: integriteitsschendingen zijn van alle tijden. Heres constateert dat integriteit in de politiek een voortdurende bron van zorg is. Of het nu gaat om belangenverstrengeling, machtsmisbruik, grensoverschrijdend gedrag of het lekken van informatie, je integer gedragen is in de praktijk moeilijker dan het lijkt. Of liever: het is geen eenvoudige kwestie van ‘goed’ of ‘fout’.

Is onprettig meteen niet-integer?

Heres stelt vast dat investeringen in bestuurlijke integriteit achterblijven bij die in ambtelijke integriteit. Ambtelijke gedragscodes zijn er al lang(er). Voor bestuurlijke gedragscodes ligt dat lastiger – bestuurdersgedrag wordt niet gemakkelijk én vanzelfsprekend ter discussie gesteld en staatsrechtjuristen beschouwen dergelijke codes vaak als ‘soft law’. Het politieke ambt heeft, zo lijkt de algemene gedachte, nu eenmaal een aantal bijzondere, unieke eigenschappen, die zo nu en dan flink schuren met onze maatschappelijke opvattingen.  

Dat maakt het des te belangrijker om scherper te bepalen wat we meer precies verstaan onder bestuurlijke integriteit. Heres: ‘Is elke ongepaste grap meteen een integriteitsschending? Zijn omgangsvormen niet gewoon een kwestie van fatsoen en professionaliteit? Als alles integriteit is, is integriteit niets.’ We moeten steeds beseffen dat er bij integriteitsschendingen zwaarwegende, fundamentele belangen en principes in het geding moeten zijn: niet álles wat we onprofessioneel, onprettig of verkeerd vinden, is meteen ook ‘niet integer’.  

‘Duidelijkere normen leiden niet vanzelfsprekend tot meer integriteit’

Hoe weten we dan wat wel of niet integer is?

Heres haalt bestuurskundige Toon Kerkhoff aan die vaststelt dat ‘Debat [...] noodzakelijk [blijkt] voor de aanscherping en ontwikkeling van publieke moraal omdat het de gelegenheid biedt eens expliciet met elkaar van gedachten te wisselen over goed en fout bestuur en hoe men met elkaar om wenst te gaan.’  

Dat regelmatige gesprek over integriteitskwesties is wezenlijk om de publieke moraal en normen in de politiek aan te scherpen en te ontwikkelen. Dergelijke gesprekken dragen bij aan het definiëren van ‘goed’ en ‘fout’ bestuur. Maar, vindt Heres, het idee dat duidelijkere normen leiden tot meer integriteit, dat meer moreel bewustzijn de integriteit verbetert, en dat integriteit het resultaat is van een rationeel denkproces, dat klopt niet. Sterker: de manier waarop we anno vandaag integriteit proberen te borgen, kent nog allerlei onvolkomenheden. 

Heres leert ons dat integriteit in de politiek een dynamisch en veranderlijk fenomeen is, afhankelijk van tijd, plaats en persoon. En dat een over-simplificatie als ‘goed-fout’ helemaal niet helpt. De laatste jaren worden er stappen gezet om ook de integriteit van bestuurders en volksvertegenwoordigers systematischer te waarborgen, vooral op lokaal niveau. De vraag is of het er zo echt beter van wordt. 

‘De toegenomen aandacht voor integriteit betekent niet noodzakelijkerwijs dat het probleem groter is’

Diepgeworteld in interacties, normen en waarden

Terug naar die 75 meldingen in 2022: zijn we als Nederland dan steeds een beetje minder integer? Dat is nog maar de vraag, aldus Heres. De (toenemende) aandacht voor integriteit kan juist leiden tot meer meldingen en discussies over integriteitsschendingen, wat de schijn van een groter probleem kan wekken, zelfs als dit niet noodzakelijkerwijs het geval is. Dit fenomeen wordt aangeduid als de ‘integriteitsparadox’. 

Bestuurlijke integriteit hangt juist niet alleen af van individuele beslissingen en gedrag, maar is vooral het gevolg van een proces van collectief moreel vakmanschap van politieke ambtsdragers. Waarbij - als het goed is - integriteit diepgeworteld moet zijn in hun interacties, normen en waarden. Om zo een cultuur van integriteit in de politiek te creëren, waarin normen en waarden worden geïnternaliseerd en dagelijks en gezamenlijk worden toegepast.