'De RES is net zo goed een sociale transitie'

In wat je een ‘bestuurlijk niemandsland’ kunt noemen, bouwt programmadirecteur Kristel Lammers - tot nu toe met succes - aan 30 door het land verspreide regionale energiestrategieën. Bestaat er zoiets als de RES-methode? Is dit wat interbestuurlijk samenwerken moet zijn? ‘Er is ook de nodige weerstand.’ 

©Min BZK

In 1 minuut:

  • Dé RES-methode bestaat niet. Maar er is wel een methodiek ontstaan, waarin praktijkinzichten intensief worden gekoppeld aan bestuurskundige en veranderkundige inzichten. Dat leidt tot een gezamenlijk proces van ‘betekenis geven’.
  • Bij dit ‘iteratieve’ proces wordt gebruikgemaakt van de inzichten van o.a. Karl Weick, Thijs Homan en Martijn van der Steen.
  • De regionale schaal van de RES is juist de kracht, vindt Lammers: inhoudelijk gezien een nieuw speelveld dat noopt tot een informele opstelling en dat vraagt om de bereidheid echt naar elkaar te luisteren.
  • De RES is een tussenruimte, analoog aan Hannah Arendt: waar mensen vanuit verschillende perspectieven de realiteit ontdekken, bevragen en vormgeven. Waar sprekers zich in vrijheid en gelijkheid kritisch tot elkaar verhouden en van elkaar leren.
  • Die tussenruimte is nodig omdat de energietransitie de facto een sociale transitie is, waarbij het gaat over macht en tegenmacht, conflict en wrijving, samenwerking en belangen afwegen.
  • Waar de RES’en enerzijds gezamenlijkheid en evenwichtige afwegingen voorstaan, roepen ze aan de andere kant weerstand op – onder bestuurders en in de samenleving.
  • De komende tijd moeten politiek-bestuurlijk de knopen worden doorgehakt om de RES’en in de praktijk tot een succes te maken.

Bestaat er zoiets als de RES-methode? En wat zijn dan de ingrediënten?

Meestal valt na zo’n vraag een stilte. Maar Lammers steekt direct van wal.
 
‘De RES-methode? Dat is misschien een te groot woord. Maar we hebben absoluut een eigen werkwijze, waarop we ook methodisch reflecteren. En die in de afgelopen anderhalf jaar verder is uitgewerkt. Dus ja: we werken toe naar een eigen manier van interbestuurlijk werken. Waaronder allerlei veranderkundige en bestuurskundige inzichten liggen.’

Wat doe je dan?

‘Het is een stapsgewijs groeiproces, waarin we stelselmatig ‘dingen’ uitproberen, daarvan durven leren en daarop durven reflecteren. Om daarna – beredeneerd – een volgende stap te zetten. Iteratief, als je het in een woord wilt vatten.’

Hoe ziet zo’n iteratief proces eruit? Wat zijn de bouwstenen?

‘Eerlijk gezegd: die bouwstenen zijn niet expliciet. Ze zitten wel in ons hoofd en onze manier van werken. Ik ben voorstander van sense making. We tappen uit de inzichten van Karl Weick, waarin ‘samen betekenis geven’ centraal staat. We gebruiken kennis van Thijs Homan, die zoekt naar – al dan niet bewuste – drijfveren achter gedrag. We maken ook gebruik van de modellen van Martijn van der Steen. Dat alles proberen we dan praktisch en concreet te maken. En in onze programma-aanpak te verankeren. En, als het goed is, zou de buitenwereld dat ook terug moeten zien.’ 

Hoe doe je dat concreet?

‘Een goed voorbeeld vind ik de manier waarop we sensemaking in het proces van de RES proberen te pluggen. Door Covid-19 is vorig jaar de deadline van de concept-RES verruimd van 1 juni naar 1 oktober. Zo was er meer tijd om volksvertegenwoordigers en inwoners bij de RES te betrekken. Omdat veel regio’s al een voorlopige versie van de concept-RES gereed hadden op 1 juni, hebben we het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) gevraagd om een tussentijdse, kwalitatieve analyse.’

‘De uitkomsten bespraken we in reflectiegesprekken met de 30 regio’s en met landelijke partijen tijdens een bijeenkomst ‘Leren met het netwerk’. Om zo samen te kijken: waar staan we nu eigenlijk en wat leren we hier van?’

‘Die gesprekken met bestuurders en RES-coördinatoren  in de regio’s, dat is natuurlijk een vorm van ‘gezamenlijk betekenis geven’. Tijdens die gesprekken leer je met en van elkaar, onderhoud en bouw je aan het RES-netwerk. De gedeelde inzichten namen we vervolgens op in de ‘foto’, een momentopname waarin NP-RES beschrijft hoe de regio’s ervoorstaan. Die inzichten worden ook gedeeld met de  Uitvoeringstafels van het Klimaatakkoord.’

Illustratie van mensen die aan een tafel overleggen over duurzame energie
©Studio Rood Gras
'Voor transities bestaan geen blauwdrukken.'

Oogt dat niet een tikje ‘chaotisch’? Want je werkt bepaald niet volgens een blauwdruk.

Een korte lach.

‘Nee, ik denk ook niet dat een blauwdruk zou passen. In een transitie probeer je van de bestaande ordening naar een andere, nieuwe ordening te komen. Waarbij er niet één partij, of één iemand is die zo’n transitie kan sturen. De overheid niet, de markt niet, ook de ‘burger’ niet.’

‘We hebben dus met ‘chaos’ – als je dat zo zou willen noemen – te maken. En dan ontstaan er ook soms conflicten, maar evenzeer nieuwe betekenissen en nieuwe manieren van kijken en handelen. Wat wij doen, is al  dié stemmen aandacht geven, juist ook de nieuwe manieren van kijken en handelen.’

Wat zeggen al die stemmen? Gaat het goed? Of hoor je ook kritiek?

‘Natuurlijk zijn er ook kritische geluiden. Op de RES, op de regio’s, op NP-RES, op het Rijk. De RES is  een groeiproces. Met knelpunten. Met dilemma’s. Met verschillen van mening en inzicht. Het is daarom belangrijk om met elkaar in contact te zijn. En niet over de ander te praten.

Als er wij-zij-denken in sluipt, moeten we dat blijven benoemen en het naar het niveau van gezamenlijke verantwoordelijkheid trekken. Op het moment dat je namelijk allemaal (als rijk, regio, netbeheerders, maatschappelijke partijen) je eigen verantwoordelijkheid neemt  ben je ook allemaal mede-eigenaar van het proces. En dus samen verantwoordelijk voor de uitkomst.’

Hoe soepel gaat dat?

‘Dat gaat met kleine stapjes en soms ook met horten en stoten. We zien dat  het besef groeit, dat we  dit samen moet doen. Waarbij niet één iemand bepaalt wat er gebeurt, maar iedereen bijdraagt naar vermogen of rol. Waarbij respect voor elkaars opvattingen en respectvol met elkaar omgaan, centraal staan. Zo brengen we ook beleid en uitvoering in contact met elkaar.’

‘Door de inzichten van bijvoorbeeld de netbeheerders mee te nemen in de RES 1.0. En de gesignaleerde knelpunten van de regio’s samen met beleidsmakers te bespreken om te bezien of er aanpassingen mogelijkheden zijn. Die methodiek – vanuit ambitie doelgericht samen aan de slag, vervolgens reflecteren op grond van gedegen onderzoek en analyse, en dan samen leren van die inzichten en daarop de manier van werken aanpassen – die zit diep in ons DNA.’

‘Wij slaan de brug tussen de lange lijnen van beleid en de dagelijkse inzichten uit de praktijk’

Wat is dat DNA dan?

‘Dat we vinden dat een sterke verbinding tussen beleidsdenken en uitvoeringspraktijk nodig is. Dat klinkt wellicht als voor de handliggend, maar je hebt ook mensen die zeggen dat je eigenlijk geen beleid meer nodig hebt. Dat uitvoering dominant moet zijn. Wij pogen juist de brug te slaan tussen de lange lijnen van beleid en de dagelijkse inzichten uit de uitvoeringspraktijk. Je hebt allebei nodig.’

Hoe ziet het speelveld buiten eruit?

‘Nou, ja, alles en iedereen staat onder druk. We zijn onderweg naar een nieuwe ordening en daarbij valt – net als bij iedere transitie – ook iets te winnen en te verliezen. Onze ruimte is namelijk schaars. En rond dit nieuwe verdelingsvraagstuk zie je ook de elementen ‘macht, tegenmacht en onmacht’ opduiken: in tegenstellingen, in opvattingen.’

‘Onze huidige manieren van werken, onze spelregels, onze waarden, principes, ja, alles is aan het kantelen. Dus dat zoeken naar gemeenschappelijkheid, dat is én noodzakelijk, én niet gemakkelijk. En dat gaat heus niet alleen met liefde gepaard, om het zo maar eens te zeggen.’

Voor het eerst in het gesprek valt er even een pauze. Lammers vervolgt:

‘De energietransitie lijkt op het eerste oog een technische transitie. Maar eigenlijk hebben we het ook over een sociale transitie. Wat betekent dit voor mij als burger? Zijn lusten en lasten in balans?  En dus gaat het ook over idealen en zorgen, collectiviteit en eigen belangen, confrontatie en conflict.’

‘Dat gaat gepaard met zowel vreugde als pijn en verlies: in landschappelijk opzicht, in leefbaarheid, in natuur en ook in energieopwekking. Want iedereen vindt groene energie belangrijk, maar toch liever niet in (de buurt van) zijn eigen achtertuin. Daar schuurt het.’

‘We hebben, bij wijze van spreken, liever dat er windmolens in de Noordzee geplaatst worden. Maar: ook daar zijn belangen af te wegen. Het ongemak ergens anders onderbrengen doet geen recht aan de lasten en lusten eerlijk willen verdelen.’

‘Bovendien duiken er nieuwe verdelingsvraagstukken op. De sociale ongelijkheid zou door de energietransitie potentieel groter kunnen worden. Terwijl je deze transitie ook kunt benutten om die ongelijkheid kleiner te laten worden. En ja, dat is bij uitstek een politiek vraagstuk.’
‘Het is zoeken naar een balans. De opdracht voor de RES is: balanceer tussen de inpassing in de ruimte, de aansluiting op het energienet en maatschappelijke acceptatie. En kom zo tot de gulden middenweg. Waarbij  we ons best doen om te zorgen, dat iedereen wordt gehoord. Maar wat niet betekent dat iedereen ook zijn zin gaat krijgen.’

Hoe zorgen we dat die balans bewaakt wordt? Kan dat überhaupt?

‘Dat is lastig. De energietransitie gaat over ons landschap, ons energiesysteem en de verhouding tussen inwoners, overheid en markt. Waarbij we ons moeten gaan aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Duurzame vormen van energieopwekking hebben ruimtelijke impact. Hebben impact op hoe we ons landschap beleven.’

‘Wat we nu anders doen dan voorheen, is dat we die gesprekken over dat veranderende landschap veel meer met iedereen in dat gebied willen voeren. Dus: participatiever. Zodat we meer stemmen kunnen horen. Maar ook participatiever in financiële zin: mensen moeten ook meer dan vroeger kunnen meeprofiteren van de opbrengsten van deze nieuwe vormen van energieopwekking.’

‘Het is goed om je te realiseren dat de energietransitie één van die vragers in het ruimtelijke domein is. Waarbij we ons ook moeten afvragen: hoe verhoudt de energietransitie zich tot woningbouw, tot de economische belangen in een gebied. Tot natuur. En ja, dat kan hier en daar gaan schuren de komende tijd.’

Wat is dat nou: een goede schaal om dat gesprek te voeren? Hoe kom je tot zo’n afweging?

‘Toen we met de RES’en begonnen, stelde iedereen vast dat ‘de schaal van de tekentafel in Den Haag’ niet de meest geschikte schaal zou zijn. Want wat op de ene plek werkt, werkt op de andere misschien niet. Ook de schaal van gemeenten is niet geschikt als je kijkt naar de complexiteit van de energietransitie. Het duurzaam opwekken van energie houdt niet op bij de gemeentegrens.’

‘Zo wamen we uit op de schaal van de regio. Soms valt die samen met de provinciegrens. Soms ook kleiner. Dat vind ik nu juist ook de kracht: die schaal, die mag verschillen. Een belangrijke gedragsafspraak daarbij is dat je op een constructieve, andere manier met elkaar tot resultaten wilt komen. Maar tegelijkertijd is er ook de werkelijkheid van ‘een verticale ordening van Nederland’. Die is er ook gewoon. En dus is de vraag: hoe breng je die twee met elkaar in balans en hoe organiseer je daarvoor het gesprek?’

‘Vaker écht luisteren en ons eigen oordeel even uitstellen – daarmee kunnen politiek en bestuur de maatschappelijke vraagstukken rechtdoen’

Zijn we nog wel bereid om dat langdurige gesprek met elkaar aan te gaan?

‘Ik denk het wel. Al zien we ook weerstand richting de RES en de regio als fenomeen omdat het niet bestaat in het huis van Thorbecke. Interbestuurlijk samenwerken kost tijd. Ook komt regelmatig de vraag om meer regie van bovenaf. Die vraag om regie, dat is natuurlijk eigenlijk  een vraag naar: zijn we nog wel in control?’

‘Die spanning is er en is onlosmakelijk onderdeel van elke transitie. In de Tweede Kamer, in het openbaar bestuur, bij waterschappen, in de provinciale staten, in de gemeenteraden. En in mijn optiek is dat ook goed: dat is de plek, waar politiek-bestuurlijke afwegingen plaatsvinden. Waar je juist die balans moet vinden tussen alle belangen en keuzes die gemaakt moeten worden. Waarbij ieder gremium zijn eigen verantwoordelijkheid moet nemen. Omdat we die verantwoordelijkheid nu juist met goede redenen op al die verschillende schaalniveaus hebben belegd.’

‘De RES’en zie ik echt als een tussenruimte. Waarin we met elkaar bouwen aan een nieuwe ordening. Dat zou het succes van de RES’en en het Nationaal Programma moeten zijn: de plek waar het goede, maar ook stevige, gesprek over de energietransitie gevoerd kan worden. Zuiver.’

‘Iedereen bij het programmabureau fungeert écht onafhankelijk. We dienen niet de eigen agenda’s van de verschillende ministers, ministeries of koepels. De opgave staat centraal. Dat hebben we aan de voorkant afgesproken. Tamelijk uniek, ben ik geneigd te denken.’

Nog een laatste hartenkreet? Wat moet de lezer echt onthouden?

Een korte stilte. En dan: ‘Dat we maatschappelijke vraagstukken het meeste rechtdoen als we wat vaker écht luisteren, en ons eigen oordeel even uitstellen. Dat is de opdracht die we politiek-bestuurlijk wat vaker zouden moeten geven.’