'Ze dachten: wat moeten we met zo’n stads vrouwtje?’

Minder bodemdaling en minder CO2-uitstoot. In het Friese veenweidegebied Aldeboarn - De Deelen krijgen samenwerkende burgers en boeren het voor elkaar: ‘Dat we samen het initiatief namen - dat is de sleutel tot ons succes’, zegt Lenneke Büller, projectleider gebiedsontwikkeling.

Er is een integraal gebiedsplan in de maak, dat ook moet zorgen voor een sterkere economische, ecologische en cultuurhistorische waarde van het gebied. ‘Tot nu toe gaat het goed, maar je moet zorgen dat je niet vermalen wordt door de overheid en de lol verliest.'

©Frank den Oudsten
Projectleider Lenneke Büller

Lenneke Büller: ‘Ik had behoefte aan meer vrijheid, meer ruimte om me heen. Zo kwam ik, vanuit Amsterdam, in Opsterland in Friesland terecht. Wat me opviel was dat de kwaliteit van het landschap als vanzelfsprekend werd beschouwd – men had er weinig zorg voor. In de ad hoc plannen voor de regionale economie zat geen samenhang. Er was geen visie op het landschap als geheel. Als dat er allemaal niet is, dan kan zo’n landschap zomaar kapotgaan en verdwijnen.’ 

Büller werkte bij een Amsterdams bureau voor stedenbouw en architectuur – dat op zeker moment een studie kon doen naar gebiedsontwikkeling. Op haar verzoek werd de gemeente Opsterland het studiegebied. En zo kwam Büller in contact met een groep burgers die zich inzette voor behoud en verbetering van de kwaliteiten van het beekdal Koningsdiep.

Slagkracht 

De studie maakte duidelijk dat het Koningsdiep het historische fundament vormde van de ontwikkeling van Opsterland. En dat opnieuw kon zijn voor een toekomstige gebiedsontwikkeling, waarin - naast economie - ook ecologie en landschap een belangrijke rol konden spelen. In 2012 richtte het groepje bevlogen burgers dat Büller had leren kennen, de stichting Beekdallandschap Koningsdiep | de Nije Boarn op. 

Twee jaar later besloten Büller en haar man zich definitief te vestigen op de Ulesprong bij Tijnje. Ze sloot zich aan bij de stichting. Büller: ‘Het was een club van tien heren. Met veel ambitie, maar weinig slagkracht. “Dat kan mijn inbreng zijn”, heb ik toen gezegd. “Maar wel onder de voorwaarde dat als we subsidies binnenhalen, daarvan voor mij iets overblijft. Zo is het gelukt om in Friesland ook mijn brood te verdienen.’

Büller is nu projectleider gebiedsontwikkeling Aldeboarn - De Deelen en maakt deel uit van het ontwerpteam dat werkt aan integrale oplossingen voor dit Friese veenweidegebied. 

‘We zijn een initiatief ‘van onderop’, gestart door burgers én boeren - dat is een kardinaal verschil met veel projecten die vertrekken vanuit de overheid’

Veenweidevisie

Even zes jaar terug. De provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân nemen de Veenweidevisie aan. Daarin staat dat de bodemdaling in Friesland moet worden tegengegaan. De overheden geven aan dat ze graag initiatieven van onderop omarmen.

Büller: ‘Toen zijn wij als Stichting Beekdallandschap Koningsdiep | de Nije Boarn naar Gebiedscoöperatie It Lege Midden (‘Lege’ betekent ‘Lage’ in het Fries, red.) gegaan – een collectief met 220 leden dat zich richt op agrarisch natuurbeheer. Ons voorstel: laten we samen aan de provincie vragen of we de uitvoering van de veenweideopgave in Aldeboarn – De Deelen zelf ter hand mogen nemen. En zo geschiedde.’ 

‘Nu ontwikkelen we, samen met provincie, waterschap en andere belanghebbenden in de streek, een breed gedragen toekomstperspectief voor Aldeboarn - De Deelen – een gebied van vijfduizend hectare. Vierduizend hectare is landbouwgrond met hoofdzakelijk melkveehouderij, duizend hectare is natuur, met Natura 2000-gebied De Deelen.’ 

Van onderop

Anno 2021 is Aldeboarn - De Deelen in het Friese Veenweideprogramma 2021-2030 aangewezen als ontwikkelgebied. Het gebiedsproces in Aldeboarn - De Deelen is het verst, zegt Büller. 

‘Waarom? Omdat wij niet met een overheidsbril naar de thematiek kijken. Wij zijn een initiatief ‘van onderop’, gestart door burgers én boeren. Dat is een kardinaal verschil met veel ontwikkelprojecten die vertrekken vanuit de overheid en waarbij burgers en boeren dan in een later stadium mogen aanschuiven.’

‘We zijn meteen met de boeren in het gebied aan tafel gegaan. Wat ook helpt, is dat de voorzitter van onze stichting directeur is geweest bij de Dienst Landelijk Gebied (DLG), de voormalige inrichtingsdienst van de rijksoverheid – hij kent de ambtelijke en bestuurlijke wereld van gebiedsontwikkeling. Mijn rol is om groter en vooral vooruit te denken. Ik ben altijd bezig met de vraag: wat hebben we nodig om dit proces tot een succes te maken?’ 

‘De vragen en kritische houding van de boeren zijn meestal terecht’

Perspectieven bij elkaar

Dat ging waarschijnlijk niet vanzelf? Büller: ‘Nee, natuurlijk niet. De boeren zagen me aankomen. Die dachten in eerste instantie: wat moeten we met zo’n stads vrouwtje? En ik had zoiets van: wat doen jullie moeilijk? Het is toch duidelijk dat het zo niet door kan gaan? Maar ik zag al snel dat hun vragen en kritische houding meestal terecht waren. En zij zagen dat onze inbreng hielp om het juiste gesprek aan de juiste tafels te voeren.’  

Vaak, zegt Büller, leggen de boeren de vinger op de zere plek. Met het verhogen van het slootwaterpeil verhoog je het grondwaterpeil. Maar met die maatregel alleen kom je er niet. Dichtbij de sloot stijgt het grondwaterpeil inderdaad. Maar midden in het perceel zakt het nog net zo hard uit. Dat laten metingen ook zien. 

En daarbij: voor een deel van de boeren betekent peilverhoging verlies aan inkomen en vermogen. Büller: ‘Dat betekent dat je serieus moet kijken naar compensatie voor de schade die boeren lijden. De vraag is telkens: hoe breng je het klimaatperspectief, het landbouwperspectief en het ecologische en landschappelijke perspectief het beste bij elkaar?’

©Frank den Oudsten
Lenneke Büller: 'We maken nu inrichtingsschetsen en dan blijkt: hoe concreter het wordt, des te complexer.’

Inrichtingsschetsen

De stappen die de burgerstichting en het boerencollectief sinds 2016 hebben gezet, zijn succesvol. Met name dankzij Büller is er tot nu toe 16,5 miljoen euro aan subsidie vergaard. 3,15 miljoen uit de klimaatenvelop, 7 miljoen aan Impulsgelden, 5 miljoen uit het IBP-Vitaal Platteland en 1,4 miljoen euro uit de Regiodeal Natuurinclusieve Landbouw. Dat geld is onder meer bedoeld om gronden af te waarderen en aan te kopen als ruil- en compensatiegrond. Daarnaast zijn de gelden bedoeld om het gebied opnieuw in te richten en de natuur- en waterkwaliteit te versterken.  

Büller: ‘We zijn nu bezig met inrichtingsschetsen voor Aldeboarn – De Deelen Zuid. Hoe concreter het wordt, des te complexer.’ 
En ook: meer geformaliseerd. De schetsen worden gemaakt door een ontwerpteam met daarin: Büller, de projectleider vanuit de provincie, het waterschap, afgevaardigden van boeren uit het gebied, ecologen van onder meer Staatsbosbeheer en twee landschapshistorici.

En dan is er nog inbreng vanuit drie werkgroepen: recreatie & toerisme, rode ontwikkelingen (bouw) en energietransitie. De inrichtingsschetsen moeten uiteindelijk leiden tot een gebiedsplan voor Aldeboarn- De Deelen, dat in de loop van 2022 klaar moet zijn. 
Het proces wordt overzien door een zeer breed samengestelde gebiedscommissie, geïnstalleerd door Gedeputeerde Staten (GS) van Friesland, die ook aan GS adviseert over de ontwikkeling en uitvoering van het gebiedsplan.

Flankerend beleid is aanvullend beleid, dat de nadelige gevolgen van ander beleid moet opvangen

Stempel drukken

Büller: ‘De focus van het ontwerpteam ligt op de veenweideopgave en perspectief voor de landbouw, maar neemt biodiversiteit en landschapskwaliteit nadrukkelijk mee. Ik ben heel blij met de aandacht die er in dit project is voor landschap, cultuurhistorie en ecologie. Dat geeft aan dat wij als stichting ook echt een stempel hebben kunnen drukken. Daarnaast is de inbreng van de werkgroepen heel belangrijk voor de integrale aanpak. Wij willen hier met z’n allen iets maken dat tientallen jaren meegaat.’  

Op basis van de inrichtingsschetsen van het ontwerpteam in Aldeboarn – De Deelen wordt ook het flankerend beleid ontwikkeld, vertelt ze. Dat is aanvullend beleid dat nadelige gevolgen van ander beleid moet opvangen. De werkgroep Flankerend Beleid, die in opdracht werkt van de provincie, legt verantwoording af aan de gebiedscommissie Aldeboarn – De Deelen en het Bestuurlijk Overleg Feangreide (BOF). In dat BOF zijn bestuurders en zeven landbouwpartijen vertegenwoordigd. Een klankbordgroep van boeren vormt de eerste toetssteen. 

Uiteindelijk moet deze aanpak, van gebiedsplanontwikkeling en parallel daaraan flankerend beleid, een systematiek voortbrengen die zal gelden voor het hele veenweidegebied in Friesland: 98.000 hectare.

Dilemma’s

Büller: ‘Veenweide is maatschappelijk gezien een heel belangrijk vraagstuk. Waanzinnig interessant, ook. Want het gaat echt om een transitie. Waarin niet alleen de boeren moeten bewegen en veranderen, maar andere spelers in de keten – voedingsindustrie, banken en ook de overheden - net zo goed.’ 

Ze heeft begrip voor de positie en dilemma’s van overheden, zegt ze. ‘Wij willen subsidies die we vergaren en mogelijk ook geld van private partijen, het liefst bijeenbrengen in een gebiedsfonds. Wij willen opgaven en kansen combineren. Dus die ruimte – ook in de verantwoording – zoeken en vragen we.’ 

‘Moet het rijk dan maar alles loslaten? Nee, want we hebben vanuit het rijk ook regie nodig. Wil zoiets als een integrale aanpak slagen, dan heb je visie op een groot schaalniveau nodig en een overheid die die visie van bovenaf neerlegt, en die ook zelf meedoet en stuurt.’

'Het gaat om wat het gebied nodig heeft - laten we ons daarop concentreren en wat minder op alle regels’

Regelmolens

Slotvraag: als ze terugkijkt op de afgelopen zes jaar, waarin ze als burger te maken heeft gekregen met de overheid, wat valt haar dan op? 
Büller: ‘Onze stichting kon haar ambitie om een toekomstperspectief te maken - voor weliswaar een deel van ons gebied – pas realiseren toen de overheid zelf met een opgave zat. Daarvoor kregen we de kans niet. De urgentie ontbrak, voor de overheid.’ 

‘En, je moet blijvend je best doen om niet te worden vermalen in alle regelmolens. Tot nu toe gaat het goed, maar het is een strijd. Het gaat om wat het gebied nodig heeft. Laten we ons daarop concentreren en wat minder op alle regels. Het is al ingewikkeld genoeg.’